C-17/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   03 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       17 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   17 april 2017

Trefwoorden: sociale zekerheid; bescherming werknemers bij insolventie werkgever; rechtstreekse werking

Onderwerp: - Richtlijn 80/987/EEG - zoals vervangen door Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever.

Verzoeker (geboren 1947) is een voormalig werknemer van Turner & Newall (T&N) dat in 2001 insolvent werd als gevolg van een overname. Verzoeker werkte er van 1971-1998 (ontslag en vervroegd pensioen) en was de gehele periode aangesloten bij de pensioenregeling (T&N-regeling). Hij krijgt een pensioen toegezegd met gewaarborgde jaarlijkse verhoging (3%). De ingangsdatum insolventie van T&N is 10-07-2006. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de RvB van het Pensioenbeschermingsfonds (PPF, verweerder). PPF is ingesteld op grond van de pensioenwet 2004 en kan onder bepaalde voorwaarden in geval van insolventie van een bedrijf uitkeringen ‘overnemen’. In de wet is een ‘beoordelingsfase’ opgenomen waarin PPF de activa en passiva van het insolvent verklaarde bedrijf waardeert en beziet of het tekort aan activa binnen de pensioenregeling van T&N zodanig is dat PPF de aansprakelijkheid moet overnemen. Overname vindt niet plaats als de uitkeringen gelijk zijn aan (of hoger zijn dan) het niveau van de PPF-vergoeding. De verwijzende rechter schetst de twee mogelijke scenario’s als gevolg van de beoordeling. Voor verzoeker gaat het om het plafond van de PPF-vergoeding voor werknemers die de pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt bij ingaan beoordelingsfase = 10-07-2006 (dat ook geldt voor circa 40 andere werknemers van de in totaal circa 35000). Ook kunnen op grond van de pensioenwet jaarlijkse verhogingen van PPF-uitkeringen worden beperkt. Verzoeker (e.a.) heeft de goedkeuring van de waardering van de T&N-regeling betwist op de grond dat de aan de waardering ten grondslag liggende bepalingen van de pensioenwet, die ertoe leiden dat sommige werknemers minder dan 50% van hun opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen ontvangen, onverenigbaar zijn met artikel 8 van de RL 80/987 zoals uitgelegd door het HvJEU in C-278/05 en C-398/11. De beoordelingsfase is op dit moment dan ook nog niet afgesloten.

In de periode vóór 2005 gold in het VK dat, in het geval van liquidatie met ontoereikende activa om alle opgebouwde pensioenen integraal te betalen, pensioenen die al werden uitbetaald (maar niet de indexering ervan) voorrang hadden op de opgebouwde rechten op uitkeringen van personen die hun pensioen nog niet hadden opgenomen. De normale pensioenleeftijd bij de T&N-regeling was 62 jaar. Na de insolventie heeft verzoeker volgens de pensioenwet recht op 90% van het (wettelijk) pensioen (basis juli 2006). Dat betekende voor verzoeker een daling van 67%. Dit nog afgezien van de niet langer geldende jaarlijkse verhoging van 3% (die in de pensioenwet beperkt zijn op tewerkstelling na april 1997). In 2016 is zijn pensioen dan ook tot 25% van het oorspronkelijke bedrag geslonken.

Het gewraakte plafond is weliswaar slechts op een klein deel van de werknemers van toepassing maar de interveniërende MinSZW erkent dat dit tot ernstige problemen kan leiden gezien de opmerkelijke daling in inkomsten. Het plafond was ingesteld om te voorkomen dat het hoger management ten onrechte wordt beïnvloed door de door het PPF verleende bescherming bij het nemen van beslissingen over insolventie van ondernemingen. Inmiddels zijn bepalingen aan de pensioenwet toegevoegd (nog niet van kracht) die de pijn moeten verzachten.

Verzoeker heeft de zaak voorgelegd aan de ombudsman van het PPF, dat zijn bezwaar tegen de goedkeuring van de regeling heeft afgewezen. De ombudsman ontkent rechtstreekse werking van artikel 8 van de RL (op grond van arrest C-278/05) zodat PPF niet verplicht is de regeling buiten toepassing te laten. Verzoeker gaat in beroep dat op 23-12-2014 wordt verworpen. De rechter oordeelt (eveneens op grond van de twee genoemde arresten) dat

artikel 8 van de RL het VK niet verplicht om ervoor te zorgen dat elke werknemer minstens 50% van de door hem opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen ontvangt bij insolventie van zijn werkgever. Volgt hoger beroep bij de verwijzende rechter (Court of Appeal) waarin op 28-07-2016 uitspraak is gedaan en dat leidt uiteindelijk tot het voorleggen van de volgende vragen aan het HvJEU:

1. Zijn de lidstaten krachtens artikel 8 van richtlijn 80/987/EEG1 (dat thans is vervangen door artikel 8 van richtlijn 2008/94/EG2) verplicht om ervoor te zorgen dat elke werknemer minstens 50% van de waarde van de door hem opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen ontvangt bij insolventie van zijn werkgever [met als enige uitzondering gevallen van misbruik, waarop artikel 10, onder a), van deze richtlijn van toepassing is]?
2. Subsidiair, afhankelijk van de beoordeling van de feiten door de nationale rechterlijke instanties, volstaat het ter naleving van artikel 8 van richtlijn 80/987/EEG dat een lidstaat een beschermingsregeling heeft op grond waarvan werknemers doorgaans meer dan 50% van de waarde van de door hen opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen ontvangen maar sommige werknemers minder dan 50% ontvangen ten gevolge van:
(i) een financieel plafond voor de aan werknemers te betalen vergoedingen (in het bijzonder aan werknemers die de in hun pensioenregeling bepaalde normale pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt op het tijdstip waarop hun werkgever insolvent wordt), en/of
(ii) regels ter beperking van de jaarlijkse verhogingen van de aan werknemers te betalen vergoeding of van de jaarlijkse herwaardering van hun rechten vóór de pensioenleeftijd?
3. Heeft artikel 8 van richtlijn 80/987/EEG rechtstreekse werking in de omstandigheden van het onderhavige geval?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-278/05 Robins; C-398/11 Hogan

Specifiek beleidsterrein: SZW, VenJ