C-179/17 Bankia

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   12 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   29 juli 2017

Trefwoorden: consumentenbescherming

Onderwerp: - richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Pb 1993, L 95, blz. 29; met rectificatie in Pb 2015, L 137, blz. 13).

Verweerders hebben bij koopovereenkomst van 22-06-2005 als consumenten een huis (als hoofdwoning) gekocht. Zij hebben eerst de hypothecaire overeenkomst van 28-05-2004 van de projectontwikkelaar overgenomen (€ 188.000) die voor 30 jaar was afgesloten, later verlengd tot 28-02-2043. Wegens nalatigheid van verweerders bij de aflossing (na 36 termijnen) is het beding tot ‘vroegtijdige ontbinding’ in werking getreden.

De verwijzende SPA rechter (Rb Barcelona) stelt zijn vragen in aanvulling op nog lopende zaak C-70/17 (Abanca Corporación Bancaria). In een arrest van 18-02-2016 heeft het SPA Hooggerechtshof (TS) bepaald dat een hypothecaire executie doorgang moet vinden wegens de procedurele voordelen daarvan tegenover een gewone executie. Volgens de rechtspraak van de TS is de leningsovereenkomst namelijk een reële, eenzijdige overeenkomst die enkel verplichtingen in het leven roept voor de kredietnemer, en niet voor de kredietgever, hetgeen toepassing uitsluit van artikel 1124 SPA Bw (dat over wederkerige overeenkomsten gaat). De verwijzende rechter heeft uitgezocht of het voor consumenten inderdaad gunstiger is de executieprocedure voort te zetten waarna de schuldeiser later een declaratoire procedure inleidt. De schuldenaar wint daarbij tijd en voorkomt mogelijk gedwongen huisuitzetting. Maar de verwijzende rechter vraagt zich af of de rechtspraak van het TS verenigbaar is met EUrecht, met name artikelen 6 en 7 van RL 93/13. Uit de analyse van de rechtspraak van de TS en uit de tekst van artikel 1124 SPA Bw valt af te leiden dat het betrekkelijk zeker is dat de op dat artikel gebaseerde declaratoire vordering wordt afgewezen, in welk geval het voornaamste argument van de TS zou komen te vervallen en de beëindiging van de hypothecaire executie duidelijk veel gunstiger zou zijn. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Staan de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten in de weg aan rechtspraak [namelijk het arrest van de Tribunal Supremo (TS)] van 18 februari 2016] volgens welke, ondanks de oneerlijkheid van het beding inzake vervroegde opeisbaarheid en ondanks dat dit beding de basis vormt voor de vordering tot executie, de hypothecaire executie niet mag worden beëindigd, omdat voortzetting daarvan gunstiger is voor de consument, aangezien in het geval van een eventuele tenuitvoerlegging van een vonnis in een op artikel 1124 CC gebaseerde declaratoire procedure, de consument niet de procedurele voordelen kan genieten die kenmerkend zijn voor de hypothecaire executie, welke rechtspraak evenwel geen rekening houdt met het feit dat volgens vaste rechtspraak van de TS zelf, dit artikel 1124 CC (dat geldt voor overeenkomsten die wederzijdse verplichtingen in het leven roepen) niet van toepassing is op de leningsovereenkomst, daar dit een reële en eenzijdige overeenkomst is, die pas tot stand komt wanneer het geld geleverd is en, om die reden, enkel verplichtingen in het leven roept voor de geldlener, en niet voor de kredietgever (schuldeiser), zodat, indien in de declaratoire procedure deze [vaste] rechtspraak van de TS wordt gevolgd, de consument een uitspraak zou kunnen verkrijgen waarbij de vordering tot ontbinding van de overeenkomst en vergoeding van de schade wordt afgewezen, en niet langer kan worden gesteld dat voortzetting van de hypothecaire executie voor hem gunstiger is?

2) Indien wordt aanvaard dat artikel 1124 CC van toepassing is op leningsovereenkomsten of op alle gevallen van kredietovereenkomsten, staan de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten dan in de weg aan rechtspraak zoals [het arrest van de TS van 18 februari 2016], waarbij, om te beoordelen of het voor de consument gunstiger is om de hypothecaire executie voort te zetten, dan wel ongunstiger om een declaratoire procedure op basis van artikel 1124 CC te volgen, er geen rekening mee wordt gehouden dat in het geval van een declaratoire procedure afwijzend kan worden beslist op de vordering tot ontbinding van de overeenkomst en tot schadevergoeding, indien de rechter de bepaling toepast in datzelfde artikel 1124 CC volgens welke “de rechter de gevorderde ontbinding [afwijst, indien (...) er redenen zijn om uitstel te verlenen]”, gelet op het feit dat het nu juist binnen de context van hypothecaire leningen en kredieten met lange looptijden (20 of 30 jaar) voor de verwerving van woningen tamelijk waarschijnlijk is dat de rechter deze grond voor afwijzing toepast, met name wanneer de daadwerkelijke niet-nakoming van de betalingsverplichting niet al te ernstig is?

3) Indien wordt aanvaard dat het voor de consument gunstiger is om de hypothecaire executie voort te zetten, met de gevolgen van de vervroegde opeisbaarheid, verzetten de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten zich dan tegen rechtspraak zoals [het arrest van de TS van 18 februari 2016], die aanvullend toepassing geeft aan een wettelijke regel (artikel 693, lid 2, LEC) hoewel de overeenkomst zonder het beding inzake vervroegde opeisbaarheid in stand kan blijven, en die uitvoering geeft aan voornoemd artikel 693, lid 2, LEC, hoewel niet is voldaan aan de fundamentele voorwaarde ervan, te weten dat er binnen de overeenkomst sprake is van een geldig en werkzaam beding inzake vervroegde opeisbaarheid, dat nu juist oneerlijk, nietig en zonder rechtsgevolg is verklaard?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-482/13, C-484/13, C-485/13 en C-487/13 Unicajabanco e.a.;

Specifiek beleidsterrein: VenJ, EZ