C-182/17 Nagyszénás Településszolgáltatási Nonprofit Kft

Prejudiciële hofzaak.

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   09 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   26 juli 2017

Trefwoorden: btw; begrip publiekrechtelijk lichaam; tegenprestatie

Onderwerp: - Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1).

Verzoekster is een non-profit vennootschap die volledig toebehoort aan een HON gemeente. Zij heeft met de gemeente op 01-07-2007 een overeenkomst gesloten tot beheer van woningen en gebouwen, lokale openbare wegen, uitroeiing van quarantaineziekten, beheer openbaar groen e.d. Aan de hand van gedetailleerde voorschriften die als bijlage bij de overeenkomst zijn gevoegd is de gemeente in staat toezicht op de uitvoering te houden. Bij niet of gebrekkige uitvoering kan de gemeente een deel van de te betalen vergoeding terugvorderen. In één van de bijlagen worden de overgedragen materiële middelen genoemd die voor de uitvoering nodig zijn. Verzoekster zendt geen facturen voor de uitvoering en de gemeente heft geen btw over het bedrag van de vergoeding. Na een belastingcontrole over de eerste drie kwartalen van 2014 constateert de belastingdienst (verweerster) een verschil in belasting als gevolg van een belastingschuld en door onverschuldigde terugbetalingen en legt zij verzoekster een fiscale boete op. Verweerster stelt dat de door verzoekster ontvangen bijdragen een tegenprestatie voor specifieke dienstverlening betreft en dat dus een belastbare handeling heeft plaatsgevonden. Het ontvangen bedrag moet als btw-grondslag worden beschouwd. Zij had haar diensten wel aan de gemeente moeten factureren. De ontvangen bijdragen kunnen niet als ‘steun’ worden gekwalificeerd omdat de gemeente uitdrukkelijk om rekenschap kan verzoeken en verzoekster de gemeente regelmatig over naleving van de overeenkomst informeert. Verzoeksters activiteiten kunnen niet als overheidsactiviteiten worden gekwalificeerd: zij is geen onderdeel van de rijksbegroting en het betreft commerciële activiteiten die bijdragen aan verwezenlijking van de gemeentelijke taken. Verzoekster stelt dat de met de gemeente gesloten overeenkomst geen dienstverleningsovereenkomst is en dat zij wel deel uitmaakt van de rijksbegroting omdat zij taken uitvoert met door de gemeente ter beschikking gestelde financiële middelen die zij als ‘steun’ ontvangt. De rechter in eerste aanleg stelt verweerster in het gelijk. Verzoekster is een vennootschap zonder winstoogmerk, zij kan niet als een gemeentelijk orgaan worden beschouwd (en dus geen deel van de rijksbegroting uitmaken) en de gemeente blijft eindverantwoordelijk voor de opgedragen taken. Er kan slechts sprake zijn van ‘steun’ als de betalende partij geen concreet resultaat van de ontvanger verwacht. Daarnaast speelt een rol dat verzoekster wel voorbelasting heeft afgetrokken voor verwervingen in verband met de verrichtingen. Verzoekster heeft cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter.

De verwijzende HON rechter (Hooggerechtshof) stelt vast dat de btw-RL twee cumulatieve voorwaarden stelt om te bepalen of een activiteit binnen de werkingssfeer van de RL valt. Hij haalt jurisprudentie van het HvJEU aan over mogelijke aanmerking als publiekrechtelijk lichaam van vennootschappen die kenmerken vertonen als die van verzoekster. De vraag die hier moet worden beantwoord is of verzoekster haar activiteit, ofschoon van economische aard, als ‘overheid’ heeft verricht. Omdat de rechter twijfelt of aan beide cumulatieve voorwaarden is voldaan legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Valt een 100% aan een gemeente toebehorende vennootschap onder het begrip “publiekrechtelijk lichaam” in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde?

2) Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag, dient dan te worden aangenomen dat de vennootschap taken die behoren tot de verplichte taken van de gemeente maar waarvan de uitvoering door de gemeente aan haar wordt opgedragen, als overheid uitvoert?

3) Bij een ontkennend antwoord op een van de eerste twee vragen, dient het bedrag dat de gemeente voor de uitvoering van de taken aan de vennootschap betaalt, dan als tegenprestatie te worden aangemerkt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-174/14 Saudacor; C-400/15 Landkreis Potsdam-Mittelmark

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten