C-195/17 - C-203/17, C-226/17, C-228/17, C-254/17, C-274/17 C-286/17 en C-290/17 - C-292/17

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor de hoofdprocedure van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   20 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   6 september 2017

Trefwoorden: compensatie luchtvaartpassagiers

Onderwerp: verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (Pb L 46, blz. 1).

Verzoekers in deze gevoegde zaken hebben allen vluchten geboekt bij verweerster TUIfly GmbH. In zaak C-195/17 (waaronder de zaken C-196/17, C-198/17, 200/17, 201/17, C-202/17, C-203/17, C-254/17, C-274/17, C-275/17, C-280/17, 285/17, C-286/17, 291/17) betreft het vluchten naar POR, en in C-197/17 (de zaken C-199/17, C-226/17, C-228/17, C-276/17, C-277/17, C-278/17, C-279/17, C-281/17, C-283/17, C-284/17, C-290/17) naar GRI. Zij claimen alle compensatie op grond van Vo. 261/2004. De vertragingen in deze zaken hebben als oorzaak logistieke problemen van verweerster. Verweerster voert buitengewone omstandigheden aan: ziekteverzuim personeel dat het gevolg zou zijn van herstructureringsplannen in het bedrijf die op 30-09-2016 bekend gemaakt zijn en tot grote weerstand onder het personeel hebben geleid. Onder normale omstandigheden wordt rekening gehouden met 10% ziekteverzuim maar na 30-09-2016 is dit sterk gestegen. Op 07-10-2016 wordt over het plan een akkoord bereikt en verweerster neemt maatregelen om vluchtuitval te voorkomen (inhuren subcharters en medewerkers van vakantie terugroepen). Maar de eerste dagen van oktober moeten door onderbezetting veel vluchten geannuleerd worden of lopen vertraging op.

De verwijzende DUI rechter (Rb Hannover resp. Düsseldorf) stelt dat de beslissing in deze zaken afhankelijk is van het antwoord op de vraag of in geval van ziekteverzuim (en zo ja vanaf welk percentage) sprake is van een buitengewone omstandigheid in de zin van Vo. 261/2004. De DUI rechtspraak gaat ervan uit dat ziekte geen grond is voor een buitengewone omstandigheid, waar de ziekte dan ook door wordt veroorzaakt. De rechter verwijst naar rechtspraak van het HvJEU, onder meer C-549/07 waarin het Hof heeft aangegeven dat een omstandigheid buitengewoon is wanneer deze niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en laatstgenoemde hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van de gebeurtenis. Ziekte van een crewlid maakt deel uit van de normale activiteit van een luchtvaartmaatschappij. Niet te vermijden maar wel door maatregelen in de hand te houden. Verweerster heeft betoogd dat een sterke stijging van het ziekteverzuim zoals in casu zich tijdens de normale activiteiten niet voordoet, maar dat hier sprake was van een ‘wilde staking’ of ‘boycot’. De vraag is hoe deze oorzaak moet worden beoordeeld, nu verweerster door de aankondiging van de herstructureringsmaatregelen mogelijk zelf aan de ontstane situatie heeft bijgedragen.

In de DUI rechtspraak is veel jurisprudentie over de vraag wanneer een staking een buitengewone omstandigheid vormt. De vrijheid van vakvereniging speelt daarbij een rol en rechten en plichten uit een arbeidsovereenkomst worden tijdens het arbeidsconflict opgeschort. Een staking is geen onderdeel van de normale uitoefening van de activiteit. De vraag is echter of hier daadwerkelijk van een staking sprake is geweest – er is geen stakingsoproep geweest vanuit de vakbond maar lijkt een besluit van de werknemers zelf. De rechter gaat er dan ook vanuit dat geen sprake is van een buitengewone omstandigheid. Het Bundesgerichtshof heeft als richtlijn gegeven dat luchtvaartmaatschappijen aantoonbaar alle middelen die ter beschikking staan moeten inzetten om vluchten uit te voeren, maar de luchtvaartmaatschappijen moeten daarbij wel de vrijheid hebben de beste maatregel te kiezen. Gezien hun economische belangen mag ervan worden uitgegaan dat zij de consumentenrechten niet onnodig inperken.

De volgende vragen worden aan het HvJEU voorgelegd:

1. Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004?

Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking (“wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3. Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4. Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?

Alleen zaak C-292/17 is afwijkend, daarin wordt één enkele vraag gesteld:

„Is de annulering van een vlucht ook dan het gevolg van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 wanneer de omstandigheden (in casu: een ‘wilde staking’ of een ‘ziektegolf’) deze vlucht slechts indirect betreffen nu de luchtvaartmaatschappij wegens die omstandigheden haar volledige vliegplan heeft gereorganiseerd en overeenkomstig deze reorganisatie de concrete vlucht werd geannuleerd? Kan een luchtvaartmaatschappij ook dan op grond van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 worden vrijgesteld, wanneer de betrokken vlucht zonder de reorganisatie had kunnen worden uitgevoerd aangezien de voor deze vlucht ingeplande crew ter beschikking zou hebben gestaan wanneer die crew niet als gevolg van de reorganisatie aan andere vluchten zou zijn toegewezen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-549/07 Wallentin-Hermann;

Specifiek beleidsterrein: IenM en EZ