C-20/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   07 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       21 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   21 april 2017

Trefwoorden: EEX; Europese erfrechtverklaring (EEV)

Onderwerp: - verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (EEV).

Verzoeker en zijn broer zijn de enige erfgenamen van de op 28-11-2015 overleden vader, weduwnaar en FRA staatsburger. De nalatenschap bevindt zich in FRA en DUI. Een FRA Rb heeft op 08-03-2016 een FRA erfrechtverklaring afgegeven waarin wordt gepreciseerd dat de broers elk de helft van de nalatenschap erven.

Op 31-08-2016 legt verzoeker bij een DUI notaris een verklaring af waarbij hij een verzoek richt aan de volgens het DUI procesrecht bevoegde Rb (Amtsgericht Schöneberg Berlijn) om een beperkte erfrechtverklaring voor de toepassing van buitenlands recht waarin wordt vastgesteld dat hij en zijn broer volgens FRA recht elk de helft van het in DUI gelegen deel van de nalatenschap van de erflater hebben geërfd. De Rb Schöneberg verklaart zich echter 17-11-2016 onbevoegd omdat de DUI regelgeving in het Wb Familierecht botst met EU-regelgeving (EEV artikel 4 jo. EEV artikel 15 waarin is bepaald dat de gerechten van de LS waar de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats had internationaal exclusief bevoegd zijn voor alle erfopvolgingszaken). Verzoeker gaat in beroep tegen dat besluit.

De verwijzende DUI rechter (Kammergericht Berlin) is van oordeel dat het Amtsgericht internationaal bevoegd is de gevraagde verklaring af te geven. In de laatste wijziging van de DUI wet inzake procedures in familiezaken (enz) heeft de wetgever (zoals hij wilde) enkel de territoriale bevoegdheid gewijzigd zonder tegelijkertijd de relevante bepalingen in het Wb familierecht over internationale bevoegdheid aan te vullen met een uitdrukkelijke regeling van de internationale bevoegdheid in erfrechtzaken. De DUI erfrechtbanken blijven dan ook tijdens gelding van de EEV internationaal bevoegd voor het afgeven van een nationale erfrechtverklaring, zelfs indien de erflater zoals in casu niet zijn laatste verblijfplaats in DUI had. De bepalingen van de EEV blijven in elk geval voorrang genieten zodat zij buiten toepassing gelaten moeten worden in geval van inbreuk op EUrecht. Over de uitleg van EEV artikel 4 is in de DUI rechtsleer geen overeenstemming.

Om de zaak te kunnen beslissen legt hij de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Moet artikel 4 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (EEV) aldus worden uitgelegd “dat het ook de exclusieve internationale bevoegdheid bepaalt voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen – die niet door de Europese erfrechtverklaring zijn vervangen (zie artikel 62, lid 3, EEV) – in de lidstaten, met als gevolg dat afwijkende bepalingen van de nationale wetgever met betrekking tot de internationale bevoegdheid voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen – zoals bijvoorbeeld in Duitsland § 105 van het Familiengesetzbuch (FamFG) – wegens schending van hogere Unierechtelijke regels buiten toepassing moeten worden gelaten?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ