C-207/16 Ministerio Fiscal

   Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   28 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       14 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   14 mei 2017

Trefwoorden: strafrecht; strafmaat; bescherming persoonsgegevens

Onderwerp: - handvest grondrechten artikel 7 (eerbiediging privéleven); artikel 8 (bescherming persoonsgegevens)

Deze zaak was geschorst in afwachting van arrest in de zaak C-203/15 Tele2 Sverige. De verwijzende rechter heeft echter aangegeven dat zijn vragen door dit arrest onvoldoende beantwoord zijn en heeft hervatting van de behandeling verzocht.

De zaak betreft een strafrechtelijk vooronderzoek naar aanleiding van een vermeende diefstal met geweld (16-02-2015). Het slachtoffer van de overval blijft achter met diverse verwondingen. De gerechtelijke politie vraagt 27-02-2015 conform de wettelijke regeling de onderzoeksrechter toestemming voor gegevensverzameling van diverse telefonie-aanbieders waaruit communicatie met de telefoon van het slachtoffer in de periode 16-02 – 27-02-2015 zou blijken. Dit wordt door de onderzoeksrechter 05-05-2015 geweigerd; de maatregel zou slechts in beperkte mate geschikt zijn en mag volgens de SPA regeling alleen in geval van ernstige delicten in de zin van het SPA WSr (straf van meer dan vijf jaar). Dat gold niet voor de vermeende feiten. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen dat oordeel: het wijst op een eerder oordeel van het SPA Hooggerechtshof uit 2010, waarna de verwijzende rechter het beroep toewijst. Vervolgens is bij beschikking van 09-02-2016 de verlenging van de bewaartermijn van de gegevens gelast.

De verwijzende SPA rechter (Regionale rechter Taragona) stelt vast dat de SPA wetgever een dubbel criterium heeft gekozen voor het bepalen van de ernst van een strafbaar feit: materieel (mate van aantasting van rechtsgoederen) en formeel-normatief (strafmaat). Ten grondslag aan deze prejudiciële verwijzing ligt de premisse dat de grondrechten materiële grenzen zijn die de menselijke waardigheid oplegt aan de overheid en de samenleving in het algemeen. Dat betekent echter beslist niet dat de staat geen interventiemethoden mag gebruiken die de fundamentele rechten vrijheden in de kern aantasten. Maar om die methoden te activeren en gebruiken zal hij zich hebben te houden aan strenge ‘gebruiksvoorwaarden’, te weten het Handvest grondrechten, en in de door SPA ondertekende verdragen tot bescherming van de grondrechten. Hij wijst op arrest C-293/12 waarin het HvJEU RL 2006/24 ongeldig verklaarde wegens ernstige tekortkomingen in de sfeer van bescherming van persoonlijke gegevens en levenssfeer zoals gewaarborgd in het handvest grondrechten. De verwijzende rechter is van mening dat deze ongeldigverklaring niet betekent dat de daarin geregelde materie niet meer onder het EUrecht valt. Het arrest toont juist op onweerlegbare wijze het bijzondere belang aan dat regulering van de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken heeft voor de EU. Aangezien het niet mogelijk is het HvJ vragen van uitleg over de nationale regelgeving te stellen ziet hij zich genoodzaakt het HvJ te verzoeken duidelijkheid te verschaffen over de mate waarin het in het arrest C-293/12 vastgestelde criterium van de ernst, als beoordelingsparameter voor de nietig verklaarde richtlijn, als uitleggingsregel kunnen aanmerken.
Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:

1. Geldt als criterium om te bepalen of een delict voldoende ernstig is om inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest erkende grondrechten te rechtvaardigen, uitsluitend de straf die kan worden opgelegd ter zake van het onderzochte delict of is het bovendien noodzakelijk dat door de strafbaar gestelde gedraging individuele en/of collectieve rechtsgoederen in bijzondere mate worden aangetast?

2. Indien het verenigbaar is met de constitutionele beginselen van de Unie die het Hof heeft toegepast in zijn arrest van 8 april 2014 als maatstaven voor de strikte toetsing van de richtlijn, dat de ernst van het delict uitsluitend wordt vastgesteld op basis van de op te leggen straf, wat zou dan het minimumniveau van de straf moeten zijn? Zou een algemeen vereiste van minimaal drie jaar gevangenisstraf voldoen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-293/12 Digital Rights Ireland;

Specifiek beleidsterrein: BZK, VenJ