C-220/17 Planta Tabak

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   3 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   19 augustus 2017

Trefwoorden: tabak; richtlijn;

Onderwerp: -Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG;

-Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1), met name artikel 10;
- en diverse uitvoeringsbesluiten (zie verwijzingsbeschikking).

Feiten:

Verzoekster (Planta Tabak) is een familiebedrijf dat (gearomatiseerde) tabaksproducten vervaardigt en distribueert. Op 29.04.2014 werd richtlijn 2014/40 gepubliceerd en de termijn voor omzetting van de richtlijn liep op 20.05.2016 af. In het najaar van 2015 heeft de Commissie diverse uitvoeringsbesluiten bij richtlijn 2014/40 vastgesteld. Op 08.04.2016, en 02.05.2016 respectievelijk, werd in het Duitse Bundesgesetzblatt de wet, resp. verordening, inzake omzetting van 2014/40 gepubliceerd. Beide wetteksten zijn op 20.05.2016 in werking getreden.

Met haar op 25.04.2016 ingestelde beroep wenst verzoekster te laten vaststellen dat een aantal van de in het kader van de omzetting van richtlijn 2014/40 vastgestelde Duitse voorschriften niet van toepassing is op haar tabaksproducten. Zij voert aan dat artikel 7, leden 1 en 7, de artikelen 8 tot en met 11 en artikel 13, lid 1, onder c), van de richtlijn, waarop de bestreden nationale regelingen berusten, in strijd zijn met het primaire Unierecht.

Overweging:

De prejudiciële vragen hebben betrekking op drie vraagcomplexen:

1.         Het verbod op het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma („verbod op smaakstoffen”) in artikel 7, leden 1 en 7, van richtlijn 2014/40. Voor tabaksproducenten met <3% verkoopvolume in de EU van een bepaalde productcategorie geldt dit verbod vanaf 20.05.2016. Voor de producenten met >3% geldt het verbod pas vanaf 20.05.2020.

2.         Etiketterings- en verpakkingsvoorschriften, waaronder de verplichting tot aanbrengen van gecombineerde gezondheidswaarschuwingen, bestaande uit een afbeelding en tekst („choquerende foto’s”), in de artikelen 8 tot en met 11 van de richtlijn. Het Hof heeft in zijn arresten van 4 mei 2016 reeds enkele vragen met betrekking tot de inhoud van deze bepalingen beantwoord. Het gaat hier echter niet om de inhoud van de artikelen 8 tot en met 11 van de richtlijn, maar om de vraag of deze mogelijk wegens onvoldoende overgangsregelingen in strijd zijn met het primaire recht. Hierover heeft het Hof tot dusver nog niet geoordeeld.

3.         Het verbod op het gebruik van elementen of kenmerken – inclusief merken – die verwijzen naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven, dan wel naar het ontbreken daarvan („verbod om de smaakstof als reclame te gebruiken”), in artikel 13, lid 1, onder c), van de richtlijn. Het e.e.a. is reeds behandeld door het Hof in Philip Morris Brands e.a. C-457/14. Volgens de verwijzende rechter is de prejudiciële vraag nog niet uitputtend beantwoord. Verduidelijkt moet nog worden of de etiketteringsverboden moeten worden opgevat als een „verbod om de smaakstof als reclame te gebruiken” dan wel als een „verbod om de smaakstof te vermelden”.

Prejudiciële vragen:

1. a) Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU juncto lid 14 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel, omdat zij aan de lidstaten opdragen het in de handel brengen van bepaalde tabaksproducten te verbieden, zonder dat duidelijk is welke van deze tabaksproducten reeds vanaf 20 mei 2016 en welke pas vanaf 20 mei 2020 verboden moeten zijn?
    b) Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU juncto lid 14 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling, omdat zij ten aanzien van de door de lidstaten vast te stellen verboden een onderscheid maken op grond van verkoopvolumes, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat?
    c) Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij aan de lidstaten opdragen het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie minder dan 3 % van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, reeds vanaf 20 mei 2016 te verbieden?
    d) Ingeval de vragen 1. a) tot en met 1. c) ontkennend worden beantwoord: hoe moet dan het begrip „productcategorie” in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40/EU worden opgevat? Dient de onderverdeling in „productcategorieën” te worden gebaseerd op het kenmerkende aroma, op de aard van het (gearomatiseerde) tabaksproduct of op een combinatie van deze twee criteria?
    e) Ingeval de vragen 1. a) tot en met 1. c) ontkennend worden beantwoord: hoe moet dan worden vastgesteld of ten aanzien van een bepaald tabaksproduct de 3 %-grens zoals bedoeld in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40/EU is bereikt, zolang hiervoor geen officiële en voor het publiek toegankelijke cijfers en statistieken bestaan?

2. a) Mogen de lidstaten bij de omzetting van de artikelen 8 tot en met 11 van richtlijn 2014/40/EU in nationaal recht, aanvullende overgangsregelingen treffen?
    b) Ingeval de prejudiciële vraag 2. a) ontkennend wordt beantwoord:
              (1) Zijn artikel 9, lid 6, en artikel 10, lid 1, tweede zin, onder f), van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij de vastlegging van bepaalde etiketterings- en verpakkingsvoorschriften aan de Commissie delegeren, zonder hiervoor een termijn vast te stellen en zonder te voorzien in verdergaande overgangsregelingen of -termijnen die waarborgen dat de betrokken ondernemingen voldoende tijd hebben om te voldoen aan de voorschriften van de richtlijn?
              (2) Zijn artikel 9, lid 1, tweede zin (tekst van de waarschuwing), en lid 4, onder a), tweede zin (lettergrootte), artikel 10, lid 1, tweede zin, onder b) (informatie over het stoppen met roken) en onder e) (positie van de waarschuwingen) alsmede artikel 11, lid 1, eerste zin (etikettering), van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij de lidstaten verschillende keuze- en regelgevingsrechten verlenen, zonder daarvoor een termijn vast te stellen en zonder te voorzien in verdergaande overgangsregelingen en -termijnen die waarborgen dat de betrokken ondernemingen voldoende tijd hebben om te voldoen aan de voorschriften van de richtlijn?

3. a) Dient artikel 13, lid 1, onder c), juncto lid 3 van richtlijn 2014/40/EU aldus te worden uitgelegd dat het de lidstaten gebiedt het gebruik van informatie die verwijst naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven, ook te verbieden wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de ingrediënten nog is toegestaan?
    b) Is artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40/EU ongeldig, omdat dit artikel inbreuk maakt op artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Polen/Parlement en Raad, C-358/14; Philip Morris Brands e.a. C-547/14; en Pillbox 38 C-477/14.

Specifiek beleidsterrein: VWS, EZ

Gerelateerde documenten