C-230/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   29 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   15 augustus 2017

Trefwoorden: vrij personenverkeer; afgeleid verblijfsrecht (‘secundair vrij verkeer’).

Onderwerp: - VWEU artikel 21 (vrij personenverkeer);
- richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden;

Eerste verzoekster is geboren in 2004 in TUR en TUR staatsburger. Haar vader, ook van TUR nationaliteit, is op 17-07-2008 zonder reisdocument naar DEN is gereisd en heeft aldaar dezelfde dag asiel aangevraagd. Dat verzoek is 05-05-2011 afgewezen, alsmede zijn verzoek om een humanitaire verblijfsvergunning op grond van de DEN vreemdelingenwet. 13-05-2013 is zijn zaak door de beroepscommissie definitief afgewezen. De vader is 26-10-2010 met een DEN vrouw getrouwd (tweede verzoekster) die hij in ZWE heeft leren kennen waar zij beiden (periode 2012 – 2014) hebben verbleven. Sinds oktober 2014 woont het paar in DEN waar de vader sinds 15-10-2014 over een EU-verblijfskaart beschikt. De vader is in 2010 gescheiden van de moeder van eerste verzoekster waarbij het gezag over de dochter aan de moeder is toegewezen. Dochter woont bij haar moeder en bezoekt haar vader in 2013 en 2014 in ZWE en DEN met een Schengenvisum. In 2015 komen de ex-partners overeen dat voor dochter gezinshereniging in DEN wordt aangevraagd, hetgeen op 17-07-2015 geschiedt (voor verblijf bij tweede verzoekster). Dit verzoek wordt 09-03-2016 afgewezen wat op 03-06-2016 in beroep wordt bevestigd. DENaut (migratiedienst) stelt dat volgens DEN regelgeving dochter niet in aanmerking komt voor gezinshereniging: dat hangt samen met het ruime tijdsverloop tussen de pendel van tweede verzoekster tussen ZWE en DEN (gebruikmakend van het recht op vrij verkeer) en het tijdstip van het indienen van de aanvraag. Er is dan geen sprake van een ‘natuurlijk gevolg’. Verweerster stelt dat de door verzoeksters aangedragen conclusie in zaak C-456/12 niet tot een andere uitkomst leidt aangezien het HvJEU zich niet heeft aangesloten bij de uitleg van de AG aangaande het verval van het afgeleide verblijfsrecht bij terugkeer van een Unieburger naar de EULS waarvan hij de nationaliteit bezit (‘secundair vrij verkeer’). Er is geen sprake van schending van het recht op gezinsleven want dat kan als voorheen worden voortgezet. Verzoeksters starten op 15-06-2016 een procedure tegen het afwijzingsbesluit.

Bij de verwijzende DEN rechter (Regionale Rb voor het Oosten van Denemarken) beargumenteren verzoeksters uitvoerig waarom in casu het afgeleide verblijfsrecht niet vervalt door het verstrijken van enige tijd tussen de activiteit waaraan het recht van vrij verkeer wordt ontleend en de uitoefening van dat recht. Verweerster herhaalt haar eerder geuite bezwaren: door de lange tussenperiode is in casu sprake van een zuiver interne situatie waarin de EUregels niet van toepassing zijn. De verwijzende rechter vindt een prejudiciële vraag aan het HvJEU wat betreft de reikwijdte van het afgeleide verblijfsrecht noodzakelijk om de zaak te kunnen beslissen. Zijn vraag luidt als volgt:

„Verzet artikel 21 VWEU, gelezen in samenhang met de verblijfsrichtlijn, zich ertegen dat een lidstaat een afgeleid verblijfsrecht ontzegt aan een derdelander die een familielid is van een Unieburger die de nationaliteit van die lidstaat bezit en daarheen is teruggekeerd na zijn recht van vrij verkeer te hebben uitgeoefend, wanneer de binnenkomst van het familielid of de indiening van zijn verzoek om toekenning van een verblijfsrecht geen natuurlijk vervolg is op de terugkeer van de Unieburger?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-456/12 O

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB