C-247/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   17 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   3 september 2017

Trefwoorden: uitlevering; vrij personenverkeer; discriminatieverbod (nationaliteit);

Onderwerp: - Verdrag van Parijs (1957 – uitlevering); Straatsburg (1983 – overbrenging gevonniste personen);
- VWEU artikel 18 (discriminatieverbod); 21 (vrij personenverkeer)

RUS heeft bij besluit van 16-11-2011 gevraagd om uitlevering van verzoeker (RUS en LIT nationaliteit). Hij zou een vrijheidsstraf van vier jaar moeten uitzitten nadat hij de voorwaarden van een eerdere voorwaardelijke straf, opgelegd 01-02-2011, niet is nagekomen. Het gaat om een drugsdelict (verkoop heroïne). Verzoeker heeft zich tegen uitlevering verzet; hij woont al langere tijd in FIN en heeft ook twee kinderen met FIN nationaliteit. Hem is sinds 2016 een reisverbod opgelegd. FINMinJUS heeft de verwijzende rechter om advies gevraagd of er een juridische belemmering is voor verzoekers uitlevering. FIN levert eigen burgers niet uit aan landen buiten de EU.

De verwijzende FIN rechter (Hooggerechtshof) vraagt zich af of het gerechtvaardigd is dat er verschil in behandeling bestaat tussen FIN en EUburgers. Het EUrecht bevat geen regelgeving voor uitleveringsverzoeken tussen EULS en derde landen. Hij citeert uitgebreid uit het arrest van het HvJEU in C-182/15. Nationale regelgeving moet worden getoetst aan het beginsel van non-discriminatie aangezien uitleveringsregels de vrijheid van onderdanen van andere EULS om in de EU te reizen kunnen beïnvloeden. De EU heeft geen uitleveringsverdrag met RUS maar alle EULS zijn wel net als RUS lid van het in 1957 in Parijs gesloten Europees Verdrag betreffende uitlevering. Dat verdrag ligt aan het RUS verzoek ten grondslag. Het adagium ‘aut dedere, aut judicare’ komt er eveneens in tot uiting. RUS is ook partij bij het in 1983 gesloten Verdrag van Straatsburg inzake de overbrenging van gevonniste personen. Dit Verdrag is binnen de EU vervangen door kaderbesluit 2008/909/JBZ.

De verwijzende rechter stelt vast dat aan alle voorwaarden voor een verwijzing naar het HvJEU is voldaan. De situatie die hier voorligt is anders dan Petruhhin. Aan de orde is of de in Petruhhin gevolgde benadering rechtstreeks kan worden toegepast op een verzoek om uitlevering van een EUburger aan een derde staat met het oog op tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.  De verwijzende rechter moet de vraag beantwoorden of en op welke wijze de Unierechtelijke mechanismen voor samenwerking en wederzijdse bijstand gebruikt kunnen worden in een geval waarin in de strafzaak in de derde staat reeds een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing is gegeven. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Dienen nationale bepalingen betreffende de uitlevering wegens een strafbaar feit, gelet op het recht van vrij verkeer van onderdanen van een andere lidstaat, ongeacht of een derde staat op basis van een uitleveringsovereenkomst verzoekt om uitlevering met het oog op straftenuitvoerlegging dan wel met het oog op strafvervolging, zoals in het arrest Petruhhin, op dezelfde wijze worden beoordeeld? Is het van belang dat de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, niet alleen burger van de Unie is maar ook onderdaan van de staat die een verzoek om uitlevering heeft ingediend?

2. Plaatst een nationale wettelijke regeling volgens welke alleen eigen onderdanen niet met het oog op straftenuitvoerlegging buiten de Unie worden uitgeleverd, onderdanen van een andere lidstaat op ongerechtvaardigde wijze in een minder gunstige positie? Moeten, ook wanneer het gaat om tenuitvoerlegging van een sanctie, Unierechtelijke mechanismen worden toegepast waarmee een op zich gerechtvaardigde doelstelling kan worden bereikt met minder ingrijpende middelen? Hoe moet op een uitleveringsverzoek worden geantwoord wanneer door toepassing van dergelijke mechanismen de andere lidstaat in kennis wordt gesteld van het verzoek om uitlevering, maar die lidstaat, bijvoorbeeld wegens juridische belemmeringen, geen actie onderneemt ten aanzien van zijn onderdaan?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-182/15 Petruhhin

Specifiek beleidsterrein: VenJ