C-252/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   03 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   19 augustus 2017

Trefwoorden: sociale zekerheid; gelijke behandeling (arbeid/beroep); ouderschapsverlof

Onderwerp: - richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep;

- richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG.

Verzoeker heeft zijn werkgever (verweerster) verzocht om dagelijks een uur afwezig te mogen zijn van zijn werk totdat zijn kind negen maanden oud is. Dit is geregeld in de SPA wet op het werknemersstatuut (ET). Het verzoek is afgewezen op de grond dat de moeder werkloos is. Verzoeker vraagt de Rb vragen voor te leggen aan het HvJEU, ook al omdat de betrokken rechter in een vergelijkbare zaak in 2014 een onherroepelijke (positieve) uitspraak heeft gedaan. Voor het stellen van vragen pleit volgens verzoeker ook dat er geen overeenstemmende uitspraken door hogere rechters zijn gedaan. Interveniërend OM verzet zich tegen het stellen van vragen omdat het aangehaalde arrest C-222/14 niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak. Ook verweerster is tegen het stellen van vragen omdat RL 2010/18 zich niet verzet tegen het in artikel 37.4 ET gestelde ‘borstvoedingsverlof’ dat niet hetzelfde is als vader- of moederschapsverlof, dat wel in geval van werkloosheid wordt toegekend. Zij stelt dat geen sprake is van discriminatie omdat het recht ongeacht het geslacht van de aanvrager wordt toegekend.

De verwijzende SPA rechter (Rb Cadiz) verduidelijkt dat geen beroep tegen beslissingen in deze zaken mogelijk is (tenzij tegelijk een schadevorderingsprocedure wordt gevoerd). Het SPA hooggerechtshof heeft dus nimmer uitspraak in een kwestie als onderhavige gedaan. De uitspraken van de hogere rechters lopen uiteen. Aangezien er behoefte bestaat aan uniforme uitleg van de nationale regelgeving, en rechtszekerheid legt legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:

1.- Verzet richtlijn 2010/18/EU zich tegen een uitlegging van artikel 37, lid 4, van de Spaanse [Ley del Estatuto de los Trabajadores (Spaanse wet op het werknemersstatuut)] (toestemming om dagelijks een uur afwezig te zijn van het werk totdat het kind negen maanden oud is) volgens welke deze toestemming aan de ouder die werkt – ongeacht diens geslacht – niet wordt verleend, indien de andere ouder werkloos is?

2. Verzet artikel 3 van richtlijn 2006/54/EG, die streeft naar volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen in het beroepsleven, zich ertegen dat artikel 37, lid 4, van de [Ley del Estatuto de los Trabajadores] aldus wordt uitgelegd dat indien de mannelijke ouder werkt, deze geen recht heeft op deze toestemming, indien zijn echtgenote – de andere ouder – werkloos is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-222/14 Maistrellis

Specifiek beleidsterrein: SZW, BZK en VenJ