C-260/17 Anodiki Services EPE

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   14 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   30 augustus 2017

Trefwoorden: aanbesteding; arbeidsovereenkomsten; besluit

Onderwerp: - VWEU & Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

- Richtlijn 89/665/EG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken;
- Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten;
- Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG.

Feiten:

Verzoekster is een particuliere onderneming die onder andere catering- en schoonmaakdiensten (hierna: diensten) in openbare ziekenhuizen aanbiedt. Verweerders behoren tot de ziekenhuizen waarmee zij overeenkomsten gesloten. Bij bestreden besluiten hebben de verweerders een procedure ingeleid om privaatrechtelijke overeenkomsten te sluiten met personeel voor het verrichten van diensten. Verzoekster heeft beroep ingesteld bij de bestuursrechter in tweede aanleg (Athene) omdat haar vitale belangen zouden worden geschaad doordat zij de betrokken diensten niet meer zou kunnen verrichten in het kader van een openbare aanbesteding. De twee beroepen tot nietigverklaring zijn voorgelegd aan de raad van state. In het eerste beroep heeft verzoekster ter terechtzitting afstand van instantie gedaan tegenover een van de ziekenhuizen (Gennimatas); de verwijzende rechter verklaart dat op het beroep (m.b.t. Gennimatas) niet hoeft te worden beslist. In het tweede beroep intervenieert Gennimatas. In de procedure is ook geïntervenieerd door ondernemingen die soortgelijke diensten verrichten en die partij zijn in andere aanhangige procedures met dezelfde rechtsvraag.

Overweging:

De aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten zijn gesloten op basis van een vooraf vastgelegde procedure voor de rangschikking van de kandidaten, waarvoor criteria worden toegepast zonder dat er persoonlijk contact tussen de werkgever en de sollicitant is gedurende de selectiefase. Betwijfeld moet worden of dergelijke overeenkomsten „arbeidsovereenkomsten” zijn voor de toepassing van voormelde bepaling van richtlijn 2014/24. Ook rijst de vraag of de bestreden besluiten, waarbij is besloten de procedures in te leiden voor het sluiten van overeenkomsten die worden geacht te zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van richtlijn 2014/24 omdat zij „arbeidsovereenkomsten” zijn, krachtens richtlijn 89/665 aan rechterlijk toezicht zijn onderworpen. De beantwoording van die vraag is bepalend voor de aard en de omvang van de rechterlijke bescherming (waaronder de bewarende maatregelen) en voor de bepaling van de bevoegde rechter voor de verdere behandeling van de zaak.
Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 10, onder g), van richtlijn 2014/24 aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst als „arbeidsovereenkomst” kan worden aangemerkt wanneer sprake is van een overeenkomst voor arbeid in een ondergeschiktheidsverhouding, of moet de overeenkomst zodanige kenmerkende eigenschappen (bij voorbeeld op het gebied van het soort werk, specifieke bedingen, de kwalificatie van de sollicitanten en de selectieprocedure) vertonen dat de selectie van iedere werknemer het resultaat is van een individuele beoordeling en een subjectieve waardering van de betrokken persoon door de werkgever? Kunnen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die worden gesloten op basis van objectieve criteria, zoals de periode van werkloosheid van de sollicitant, ervaring en het aantal minderjarige kinderen, na formele verificatie van de benodigde documenten en volgens een vooraf vastgelegde procedure waarbij punten worden toegekend op basis van bovenstaande criteria, zoals de overeenkomsten bedoeld in artikel 63 van wet 4430/2016, worden beschouwd als „arbeidsovereenkomsten” in de zin van artikel 10, onder g), van richtlijn 2014/24?

2) Moeten richtlijn 2014/24 (artikelen 1, lid 4, 18, leden 1 en 2, 19, lid 1, 32 en 57, gelezen in samenhang met overweging 5 van de considerans), het VWEU (artikelen 49 en 56), het Handvest van de grondrechten (artikelen 16 en 52) en de beginselen van gelijke behandeling, transparantie en evenredigheid aldus worden uitgelegd dat de overheidsinstanties gebruik kunnen maken van andere middelen dan openbare aanbestedingen, arbeidsovereenkomsten daaronder begrepen, voor het verrichten van hun werkzaamheden van algemeen belang, en in voorkomend geval onder welke voorwaarden, wanneer die middelen niet een blijvende organisatie van de openbare dienst meebrengen, maar – zoals in het geval van artikel 63 van wet 4430/2016 – worden gebruikt voor bepaalde tijd om het hoofd te bieden aan uitzonderlijke omstandigheden en op gronden die verband houden met een doeltreffende mededinging en de rechtmatigheid van het handelen van de op de markt voor openbare aanbestedingen werkzame ondernemingen? Kunnen zodanige redenen en omstandigheden zoals de onmogelijkheid om de openbare aanbestedingen zonder hindernissen uit te voeren of het nastreven van een hogere winst dan (mogelijk zou zijn) met een openbare aanbesteding, worden aangemerkt als dwingende redenen van algemeen belang die rechtvaardigen dat een maatregel wordt getroffen die de ondernemersactiviteit in de sector van de openbare aanbestedingen qua omvang en que duur ernstig beperkt?

3) Is tegen besluiten van een overheidsinstantie zoals de in het hoofdgeding bestreden besluiten, betreffende een overeenkomst die wordt geacht buiten het toepassingsgebied van richtlijn 2014/24 te vallen (bij voorbeeld omdat het een „arbeidsovereenkomst” betreft), de beroepsprocedure van richtlijn 89/665, zoals gedefinieerd in artikel 1 van die richtlijn, zoals gewijzigd, uitgesloten wanneer het beroep wordt ingesteld door een marktdeelnemer die er rechtmatig belang bij heeft dat een dergelijke overheidsopdracht aan hem wordt gegund en die verklaart dat aan richtlijn 2014/24 ten onrechte geen uitvoering is gegeven omdat zij werd geacht niet van toepassing te zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Duitsland C-480/06; Sea C-573/07; CoNISMa C-305/08; Commissie/Duitsland C-271/08; Commissie/Ierland C-226/09; Belgacom C-221/12; Datenlotsen Informationssysteme GmbH C-15/13; Undis Servizi C-553/15.

Specifiek beleidsterrein: SZW

Gerelateerde documenten