C-266/17 Verkehrsbetrieb Hüttebräucker et BVR Busverkehr Rheinland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   10 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   26 augustus 2017

Trefwoorden: overheidsopdrachten (inhouse; openbaar vervoer)

Onderwerp: verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (Pb 2007, L 315, blz. 1).

Op 30-09-2015 kondigt samenwerkingsverband Rhein-Sieg-Kreis (verweerster), een regionaal publiekrechtelijk lichaam, in het PbEU aan op grond van artikel 7.2 van de Vo. openbare personenvervoersdiensten onderhands te gunnen aan een interne exploitant op zijn grondgebied, met uitgaande lijnen naar naburige gebieden, overeenkomstig artikel 5.2 van de Vo. Verzoeksters komen daartegen op wegens schending van zowel DUI als EU-recht. De beoogde interne exploitant is de in het geding geroepen Regionalverkehr Köln GmbH (RvK), een lokale personenvervoerder, waarin verweerster indirect deelneemt. RvK verricht op grond van eerdere opdrachten uit de tijd van vóór de inwerkingtreding van Vo. 1370/2007 openbare personenvervoersdiensten voor verweerster alsmede voor andere direct of indirect deelnemende overheden. Overige aandeelhouders zijn andere nabijgelegen samenwerkingsverbanden. Op 21-08-2015 had RvKs aandeelhouders-vergadering tot een statutenwijziging besloten: alleen die aandeelhouders zijn stemgerechtigd die zelf of wiens indirecte of directe eigenaar een dienstcontract op grond van artikel 5.2 van Vo. 1370/2007 aan de vennootschap gunt. Die regeling is met succes aangevochten en door de rechter (voorlopig) ongeldig verklaard.

De rechter in eerste aanleg heeft de onderhandse gunning verboden. Hij oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.2 van Vo. 1370/2007 wegens het ontbreken van de vereiste zeggenschap van verweerster over RvK en de diensten niet uitsluitend op het grondgebied van verweerster geleverd worden (de ‘ uitgaande lijnen’ ). Verweerster gaat in beroep omdat zij van mening is dat is voldaan aan de voorwaarden voor een inhousegunning (volgens RL 2014/24) en aan artikel 5.2 van Vo. 1370/2007.

De verwijzende DUI rechter (Oberlandesgericht Düsseldorf) geeft aan dat in de nationale rechtspraak verschillend wordt geoordeeld over de toepasselijkheid van Vo. 1370/2007 op opdrachten voor diensten die zoals in casu niet de vorm aannemen van een contract voor een dienstenconcessie. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Is artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 van toepassing op opdrachten die geen opdrachten zijn die overeenkomstig artikel 5, lid 1, eerste zin, van verordening (EG) nr. 1370/2007 de vorm aannemen van contracten voor dienstenconcessies zoals gedefinieerd in de richtlijnen 2004/17/EG of 2004/18/EG?

Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
2. Is het in strijd met de door een afzonderlijke bevoegde overheid samen met de overige aandeelhouders van de interne exploitant uitgeoefende gemeenschappelijke zeggenschap, als deze overheid overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 een openbaredienstcontract onderhands gunt aan een interne exploitant, wanneer de bevoegdheid om op te treden in het openbaar personenvervoer in een bepaald geografisch gebied [artikel 2, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 1370/2007] tussen de afzonderlijke bevoegde overheid en een groepering van overheden die geïntegreerde diensten voor openbaar personenvervoer aanbiedt, is verdeeld, bijvoorbeeld doordat de bevoegdheid voor het gunnen van openbaredienstcontracten aan een interne exploitant berust bij de afzonderlijke bevoegde overheid, maar de taak tarief wordt toevertrouwd aan een publiekrechtelijk lichaam zoals het “Zweckverband Verkehrsverbund” waartoe naast de afzonderlijke overheid andere in hun geografische gebieden bevoegde overheden behoren?

3. Is het in strijd met de door een afzonderlijke bevoegde overheid samen met de overige aandeelhouders van de interne exploitant uitgeoefende gemeenschappelijke zeggenschap, als deze overheid overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 een openbaredienstcontract onderhands gunt aan een interne exploitant, wanneer volgens diens statuten bij besluiten over de totstandkoming, de wijziging of de beëindiging van een openbaredienstcontract overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 alleen die aandeelhouder stemgerechtigd is die zelf of wiens directe of indirecte eigenaar een openbaredienstcontract op grond van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 aan de interne exploitant gunt?

4. Is het op grond van artikel 5, lid 2, tweede zin, onder b), van verordening (EG) nr. 1370/2007 toegestaan dat de interne exploitant ook voor andere bevoegde plaatselijke overheden binnen hun grondgebied (inclusief uitgaande lijnen of andere kleinere elementen van die activiteit die het grondgebied van naburige bevoegde plaatselijke overheden binnenkomen) openbare personenvervoersdiensten verricht, ingeval deze niet in het kader van openbare aanbestedingen worden gegund?

5. Is het op grond van artikel 5, lid 2, tweede zin, onder b), van verordening (EG) nr. 1370/2007 toegestaan dat de interne exploitant buiten het grondgebied van de overheid die de opdracht bij hem heeft geplaatst, voor andere met een overheidstaak belaste instellingen op grond van dienstcontracten die onder de overgangsregeling van artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 1370/2007 vallen, openbare personenvervoersdiensten verricht?

6. Op welk moment moet zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-292/15 Hörmann Reisen

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten