C-267/17 Rhenus Veniro

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   10 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   26 augustus 2017

Trefwoorden: overheidsopdrachten (inhouse; openbaar vervoer)

Onderwerp: verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (Pb 2007, L 315, blz. 1).

Samenwerkingsverband Kreis Heinsberg (verweerster), een regionaal publiekrechtelijk lichaam, heeft op 15-03-2016 in het PbEU het besluit bekendgemaakt tot onderhandse gunning van openbare personenvervoersdiensten overeenkomstig artikel 5.2 van Vo. 1370/2007 aan Westverkehr GmbH (de in het geding geroepen partij). Het betreft het hele openbaarvervoernetwerk inclusief uitgaande lijnen voor een periode van 120 maanden vanaf 01-01-2018. Verweerster heeft tezamen met andere publiekrechtelijke lichamen een groep [‘Zweckverband Aachener Verkehrsverbund’ (AVV)]gevormd waarvan de leden in de zin van artikel 5.2 van Vo. 1370/2007 bevoegd zijn openbaredienstcontracten onderhands aan een interne exploitant te gunnen. Interne exploitanten mogen openbare personenvervoersdiensten verrichten op het grondgebied van alle leden van het AVV, die verder gaan dan uitgaande lijnen. Onderhandse gunningen zoals hierboven bedoeld worden geacht te zijn besloten door alle leden van het AVV. Westverkehr liet voorheen de vervoersdiensten grotendeels uitvoeren door haar 100% dochter (Kreisverkehrsgesellschaft Heinsberg – KVH) en was dit voor deze procedure ook van plan. In de loop van de beroepsprocedure wordt de fusie van verweerster en KVH per 01-01-2018 aangekondigd.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de beoogde onderhandse gunning. Nadat dit was afgewezen heeft zij beroep ingesteld bij de rechter (in aanbestedingszaken). De rechter wijst verzoeksters eis af (11-11-2016) maar dringt er bij verweerster op aan dat wordt voldaan aan de vereisten van artikel 5.2 van Vo. 1370/2007, een bepaling naar het oordeel van de rechter ook ziet op inhousegunningen. De onderhandse gunning is toelaatbaar indien is gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met het aandeel zelf te verrichten diensten (in artikel 5.2). Verzoekster gaat in hoger beroep.

Bij de verwijzende DUI rechter (Oberlandesgericht Düsseldorf) stelt verzoekster dat de uitspraak van de rechter in eerste aanleg onjuist is omdat artikel 5.2 van Vo. 1370/2007 in casu niet van toepassing zou zijn: het gaat hier om contracten voor dienstenconcessies. Evenmin zou zijn voldaan aan de vereisten van artikel 5.2 omdat verweerster als lid van het AVV niet tot onderhandse gunning bevoegd is, het betreft een ‘overheid als lid van een groepering van overheden’ betreft. Voor de verwijzende rechter hangt het slagen van de rechtsmiddelen af van het antwoord op zijn vragen, met name hoe de voorwaarden voor een onderhandse gunning (artikel 5.2) moeten worden opgevat. De DUI rechterlijke instanties hebben daarop geen uniform antwoord. Daarnaast ligt de stelling van verweerster dat de prestatie door een 100%-dochteronderneming van de in het geding geroepen partij als een prestatie van de in het geding geroepen partij zelf dient te worden beschouwd, waardoor een dergelijke prestatie niet in strijd is met de bepalingen van de verordening. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Is artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 van toepassing op onderhands te gunnen openbaredienstcontracten in de zin van artikel 2, onder i), van de verordening, die overeenkomstig artikel 5, lid 1, tweede zin, van de verordening niet de vorm aannemen van contracten voor dienstenconcessies in de zin van de richtlijnen 2004/17/EG of 2004/18/EG?

2. Wordt in artikel 2, onder b), en in artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 door het gebruik van het woord “of”, respectievelijk de woorden “dan wel” uitgegaan van een exclusieve bevoegdheid van ofwel een afzonderlijke overheid ofwel een groepering van overheden of kan op grond van deze bepalingen een afzonderlijke overheid ook lid zijn van een groepering van overheden en aan de groepering bepaalde taken delegeren, maar tegelijkertijd bevoegd blijven om op te treden overeenkomstig artikel 2, onder b), en de bevoegde plaatselijke overheid in de zin van artikel 5, lid 2, van de verordening zijn?

3. Sluit artikel 5, lid 2, tweede zin, onder e), van verordening (EG) nr. 1370/2007 met de verplichting de openbare personenvervoersdienst grotendeels zelf uit te voeren, uit dat de interne exploitant dit deel van de diensten door een 100 %-dochteronderneming laat uitvoeren?

4. Wanneer moet zijn voldaan aan de voorwaarden voor een onderhandse gunning overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007: al ten tijde van de publicatie van een beoogde onderhandse gunning overeenkomstig artikel 7 van verordening (EG) nr. 1370/2007 of pas op het moment van de onderhandse gunning zelf?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-292/15 Hörmann Reisen

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten