C-287/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   11 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   27 augustus 2017

Trefwoorden: betalingsachterstand bij handelstransacties

Onderwerp: richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties

Verzoekster is een verzekeringsmaatschappij (NV), verweerster WCZ een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Verzoekster start een procedure wegens een vordering op verweerster (premie voor een op 07-22-2012 afgesloten verzekering). Verweerster heeft de premie over november 2014 – februari 2015 niet betaald. Het betreft een verzekering van aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt in de uitoefening van een werkzaamheid. Verweerders waren destijds managers van CZK. Na een aanmaning is de verzekering per 25-02-2015 beëindigd en is laatstelijk op 13-07-2015 betaling van de resterende premie gevorderd. Vezoekster vordert de premie + wettelijke interest, en schadeloosstelling voor de gerechtelijke procedure. Verweerster is niet in rechte verschenen.

De vraag van de verwijzende TSJ rechter (Rb district České Budějovice) betreft de hoogte van de schadeloosstelling. De procedure is geregeld in het TSJ BRv: de in het gelijk gestelde partij heeft (als aan de voorwaarden is voldaan maar de rechter gaat ervan uit dat dat hier het geval is) recht op schadeloosstelling voor de kosten die noodzakelijk waren voor het doeltreffend geldend maken of verdedigen van haar rechten ten aanzien van de in het ongelijk gestelde partij. De vergoeding voor advocaatkosten zijn in een apart besluit geregeld. Daarnaast heeft de advocaat recht op vergoeding van specifieke uitgaven (reiskosten, griffierechten, advieskosten e.d.) waarvoor een forfaitair bedrag is vastgesteld. De rechter twijfelt echter of deze schadeloosstelling voldoet aan RL 2011/7 gezien de overwegingen 19 en 20. Hij vraagt zich af of de kosten van de aanmaning (in dit geval één) die verzoekster vóór instellen van het beroep aan verweerster heeft gezonden naast het forfaitaire bedrag moet worden vergoed. Dat zou in dit geval, gezien de forfaitaire vergoeding volgens TSJ recht, neerkomen op tweemaal vergoeding voor hetzelfde. Hij legt het HvJEU de volgende vraag voor:

“Dient artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke instantie verplicht is, een in een geding betreffende de invordering van een schuld uit een handelstransactie in de zin van artikel 3 of 4 van die richtlijn in het gelijk gestelde verzoekende partij het bedrag van 40 EUR (of het gelijkwaardige bedrag in de nationale valuta) toe te kennen naast schadeloosstelling voor de kosten van de procedure in rechte, daaronder begrepen schadeloosstelling voor de kosten van aanmaning van de verwerende partij vóór de instelling van het beroep, ten belope van het bedrag waarin de procedurele bepalingen van de lidstaat voorzien?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ