C-288/17 Fédération des fabricants de cigares e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   10 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   26 augustus 2017

Trefwoorden: tabak, merken, volksgezondheid, consumentenbescherming

Onderwerp: - Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG.
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Feiten:

Bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter) zijn vijf beroepen ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 19 mei 2016 tot omzetting van richtlijn 2014/40/EU (hierna: de richtlijn). Dit besluit herschikt bepalingen van de Franse wetboek volksgezondheid met betrekking tot het vereiste van het “neutrale pakje”. Daarnaast zet dat besluit artikel 13 van de richtlijn in nationaal recht om waar het met name het gebruik verbiedt van merken die tabak aanprijzen/aanmoedigen. In een uitvoeringsbesluit moet worden vastgesteld welke elementen of kenmerken verboden zijn.

Twee verzoeksters (SEITA en BAT France) stellen dat de wetgever inbreuk maakt op hun merkrechten, die zij op één lijn stellen met eigendomsrechten, en op de vrijheden van ondernemerschap en van meningsuiting. De Conseil d’État stelt het Hof bijgevolg vragen over de draagwijdte van de betrokken bepalingen van richtlijn 2014/40 en over hun geldigheid in het licht van bepaalde grondrechten.

Overweging:

Het eigendomsrecht, de vrijheid van ondernemerschap en de vrijheid van meningsuiting waarop de verzoekende ondernemingen zich beroepen, zijn rechten die worden gewaarborgd door het Handvest. Bijgevolg hoeft de Conseil d’État slechts na te gaan of artikel 13 van de richtlijn zich met die grondrechten van de Europese Unie verdraagt – waarom hij overigens ook is verzocht.

In casu volgt uit artikel 13 leden 1 en 3 van de richtlijn dat lidstaten het gebruik van bepaalde elementen en kenmerken op verpakkingseenheden, op buitenverpakking en op het tabaksproduct zelf moeten verbieden wanneer die bij de consument met name een onjuiste indruk wekken over de kenmerken of gevolgen van een product; zoals gewichtsverlies, sexappeal, sociale status. tabaksproducten kunnen beletten.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de leden 1 en 3 van artikel 13 van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 aldus worden uitgelegd dat op verpakkingseenheden, buitenverpakking en tabaksproducten geen merknamen mogen worden gebruikt die naar bepaalde eigenschappen verwijzen, ongeacht de bekendheid van de merknaam in kwestie?
2. Al naargelang van de uitlegging die moet worden gegeven aan de leden 1 en 3 van artikel 13 van de richtlijn, zijn die bepalingen, voor zover zij van toepassing zijn op namen en merken, in overeenstemming met het eigendomsrecht, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid?
3. Indien de vorige vraag bevestigend moet worden beantwoord, onder welke voorwaarden kan een lidstaat gebruikmaken van de mogelijkheid die artikel 24, lid 2, van de richtlijn hem biedt om producenten en importeurs de verplichting op te leggen voor neutrale en uniforme verpakkingseenheden en buitenverpakking te zorgen, zonder dat hij daarbij inbreuk maakt op het eigendomsrecht, de vrijheden van meningsuiting en ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco C-491/01; Philip Morris Brands e.a. C-547/14.

Specifiek beleidsterrein: VWS

Gerelateerde documenten