C-295/17 MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   13 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   29 augustus 2017

Trefwoorden: telecommunicatie; fiscaal; belastingen; btw

Onderwerp: - Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn): artikelen 2, lid 1, onder c), 64, lid 1, 66, onder a), en 73.

Feiten:

Verzoekster is een N.V. die zich bezighoudt met de aanleg, het beheer en de exploitatie van telecommunicatiediensten. Verzoekster verricht diensten op het gebied van telecommunicatie. Zij sluit hiervoor bepaalde overeenkomsten waarbij een lager maandelijks bedrag voor de klant geldt indien deze zich gedurende een minimumperiode aan de overeenkomst bindt. De klant moet dan wel een bedrag betalen (aantal maanden minimumcontractduur X maandelijks bedrag) indien de klant zich niet houdt aan de overeenkomst (wanprestatie). In deze gevallen stelt de verzoekster een factuur op voor de verschuldigde bedragen waarin uitdrukkelijk vermeld wordt dat de bedragen “niet aan btw onderworpen” zijn. Op de reguliere inning van maandelijkse bedragen wordt wel btw geheven. Bij verzoekster is een belastinginspectie uitgevoerd. Volgens het verslag van de inspectie had verzoekster in 2012 geen btw geïnd over de door haar klanten betaalde schadevergoedingen. Verzoekster betoogt (i) dat de aan de orde zijnde vergoedingen niet aan btw zijn onderworpen, (ii) dat inning van btw over de vergoedingen zinloos is gelet op de in artikel 78 van de btw-wet neergelegde terugvorderingsmogelijkheden, en (iii) dat de btw-aanslag onjuist is, aangezien er daarin van wordt uitgegaan dat in het geïnde bedrag reeds btw is begrepen. Volgens de Autoridade Tributária houden de betrokken vergoedingen verband met gederfde winst en zijn als zodanig aan btw onderworpen. Deze instantie heeft het bedrag van de verschuldigde belasting vastgesteld en heeft een correctie van €1.812.195,35 gehandhaafd. Verzoekster heeft daarop een bezwaarschrift ingediend welke uitdrukkelijk is verworpen bij besluit van 27-11-2015. Op 23-12-2015 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen dat besluit.

Overweging:

In het onderhavige geval dient zich in de eerste plaats de vraag op of voormelde bepalingen van het recht van de Unie in de weg staan aan de heffing van btw over de betalingen die in de onderhavige zaak aan die belasting zijn onderworpen, waarmee de vraag rijst of gelet op die bepalingen de betrokken betalingen nog een tegenprestatie vormen voor de door verzoekster krachtens de overeenkomst verrichte diensten, of dat daarentegen sprake is van betalingen die daarvan onafhankelijk zijn.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de artikelen 2, lid 1, onder c), 64, lid 1, 66, onder a), en 73 van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat een aanbieder van telecommunicatie (televisie, internet, mobiele telefonie en vaste telefonie) btw verschuldigd is over het vooraf bepaalde bedrag dat hij zijn klanten in het geval van overeenkomsten met een minimumcontractduur in rekening brengt wanneer zij die minimumduur niet in acht nemen, waarbij dat bedrag overeenkomt met het volgens de overeenkomst door de klant verschuldigde maandelijkse basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal maanden waarvoor de minimumcontractduur niet vervuld is, en het zo is dat wanneer bedoeld bedrag in rekening wordt gebracht de aanbieder zijn diensten reeds heeft stopgezet ongeacht of het bedrag zal worden geïnd, wanneer
a. het in rekening gebrachte bedrag in het kader van de overeenkomst tot doel heeft, de klant aan te sporen de minimumcontractduur waartoe hij zich verbonden heeft in acht te nemen en de aanbieder te vergoeden voor de schade die deze lijdt wanneer de minimumcontractduur niet in acht wordt genomen, meer in het bijzonder doordat hij de winst die hij tot het einde van die minimumperiode zou hebben gemaakt moet derven en doordat lagere tarieven zijn overeengekomen, gratis of goedkoper materiaal is geleverd en uitgaven zijn gedaan voor reclame en het werven van klanten;
b. de tot stand gekomen overeenkomsten met een minimumcontractduur voor degenen die de klant hebben geworven een hogere beloning meebrachten dan overeenkomsten zonder minimumcontractduur, waarbij het bedrag van de beloning voor het sluiten van een overeenkomst in beide gevallen (dus in overeenkomsten met of zonder minimumcontractduur) was berekend op basis van de in de gesloten overeenkomsten vastgestelde maandelijkse termijnen;
c. het in rekening gebrachte bedrag naar nationaal recht kan worden beschouwd als een boete?

2) Kan het antwoord op de eerste vraag anders luiden wanneer een of meerdere erin genoemde omstandigheden zich niet voordoen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -


Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

Gerelateerde documenten