C-3/17 Sporting Odds

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   27 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   13 april 2017

Trefwoorden: kansspelen; vergunningen; vrij verkeer diensten; handvest grondrechten;

Onderwerp: - handvest grondrechten artikel 47/48 (doeltreffende voorziening in rechte – vermoeden van onschuld – rechten van de verdediging);
- VWEU artikel 56 (vrij verkeer diensten);

Verzoekster is een in het VK gevestigde vennootschap die een vergunning heeft gekregen van de Britse kansspelAut. Zij exploiteert websites waarop zij kansspelen aanbiedt in diverse EULS. In HON is voor aanbieden kansspelen een vergunning van de belastingdienst (verweerster) nodig maar die heeft verzoekster niet gekregen. Verzoekster krijgt dan ook een boete op grond van de HON wet op de kansspelen. Verzoekster gaat daartegen in beroep: zij stelt dat de HON regeling niet verenigbaar is met EUrecht. Zij stelt niet ter discussie dat een LS kan bepalen dat een vergunning van de overheid vereist is voor het op zijn grondgebied aanbieden van kansspelen maar zij wijst erop dat uit diverse factoren blijkt dat HONaut een beleid voeren dat gericht is op het vergroten van het aanbod en het aansporen van consumenten. De omzet en het aantal casino’s is sinds de herinrichting van de kansspelmarkt flink gestegen. Dit in tegenstelling tot het doel van de wet op de kansspelen waarmee bescherming van spelers en beperking van kansspelaanbod wordt beoogd. Verweerster wijst op diverse maatregelen zoals verkleining van het aantal casino’s, beperking van speelautomaten en dat ondanks verhoging van de kansspelbelasting sinds 2012 een daling aan belastinginkomsten is ingezet. Verweerster stelt tevens dat van toetsing aan het EUrecht slechts sprake zou kunnen zijn indien verzoekster (op grond van de HON concessiewet) een afwijzing op een offerte of een vergunning had gekregen.

De verwijzende HON rechter (bestuurs- en arbeidsrechter Boedapest) wijst op de in HON doorgevoerde hervormingen op de kansspelmarkt (doel: consumentenbescherming).Hiertoe heeft de wetgever voor casino’s een maximumaantal te verlenen concessies vastgesteld en de organisatie van kansspelen op afstand gereguleerd zonder daarbij over te gaan tot liberalisering. Online casino- en kaartspelen worden anders behandeld dan online sport- en paardenweddenschappen: casinoconcessiehouders mogen online casino- en kaartspelen organiseren, terwijl er een staatsmonopolie is op online sport- en paardenweddenschappen. De rechter vraagt zich met name af of er bij het HON kansspelbeleid sprake is van een samenhangende en stelselmatige beperking die voldoet aan de in de zaak Carmen Media Group geformuleerde eisen, en of de ingevoerde regelgeving geschikt is om het genoemde doel te bereiken. Zie verder de aan het HvJEU voorgelegde (recordaantal?) vragen:

1. Moeten artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: “VWEU”), het discriminatieverbod en de eis van een samenhangende en stelselmatige beperking van kansspelactiviteiten door de lidstaten – welk wettelijk doel door de lidstaat voornamelijk wordt onderbouwd onder verwijzing naar de bestrijding van gokverslaving en de bescherming van de consument – aldus worden uitgelegd dat het staatsmonopolie op online en offline sport- en paardenweddenschappen zich niet met die regels verdraagt indien het in de lidstaat sinds de aldaar gerealiseerde herinrichting van de markt verder zo is dat particuliere dienstenaanbieders andere kansspelen (casinospelen, kaartspelen, speelautomaten, online casinospelen en online kaartspelen) met een aanmerkelijke kans op verslaving online en offline mogen organiseren in concessieplichtige fysieke casino’s?

2. Moeten artikel 56 VWEU, het discriminatieverbod en de eis van een samenhangende en stelselmatige beperking van kansspelactiviteiten door de lidstaten aldus worden uitgelegd dat sprake is van strijd met dat artikel en die eis indien blijkt dat de – door de bestrijding van gokverslaving en het wettelijke doel de consument te beschermen ingegeven – marktherinrichting, sinds deze door de lidstaat is gerealiseerd, daadwerkelijk leidt tot of zich vertaalt in een gestage stijging van het aantal casino’s, de jaarlijks afgedragen belasting op casinokansspelen, de volgens de nationale begroting te verwachten inkomsten uit door casino’s betaalde concessievergoedingen, het aantal door spelers gekochte speelpenningen en de minimale inzet die nodig is voor speelautomaten?

3. Moeten artikel 56 VWEU, het discriminatieverbod en de eis van een samenhangende en stelselmatige beperking van kansspelactiviteiten door de lidstaten aldus worden uitgelegd dat sprake is van strijd met dat artikel en die eis indien blijkt dat de invoering van een staatsmonopolie en de toegestane organisatie van kansspelen door particuliere dienstenaanbieders – welke invoering en toegestane organisatie voornamelijk door de bestrijding van gokverslaving en het wettelijke doel de consument te beschermen zijn ingegeven – bovendien een doelstelling van economisch beleid hebben die erop is gericht hogere netto-opbrengsten uit gokken te halen en zo snel mogelijk buitengewoon hoge inkomsten op de casinomarkt te genereren om andere begrotingsuitgaven en publieke diensten van de staat te financieren?

4. Moeten artikel 56 VWEU, het discriminatieverbod en de eis van een samenhangende en stelselmatige beperking van kansspelactiviteiten door de lidstaten aldus worden uitgelegd dat sprake is van strijd met dat artikel en die eis en van ongerechtvaardigde differentiatie tussen dienstenaanbieders indien blijkt dat de lidstaat, nog steeds onder verwijzing naar de openbare orde, een staatsmonopolie hanteert voor bepaalde online kansspeldiensten, maar andere kansspeldiensten openstelt en een groeiend aantal concessies verleent?

5. Moeten artikel 56 VWEU en het discriminatieverbod aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat uitsluitend dienstenaanbieders die een op Hongaars grondgebied gevestigd fysiek casino (en een concessie daarvoor) hebben, een vergunning kunnen verkrijgen voor het online aanbieden van casinospelen, met als gevolg dat dienstenaanbieders die geen fysiek casino op Hongaars grondgebied hebben (onder wie dus ook dienstenaanbieders die een in een andere lidstaat gevestigd fysiek casino hebben) niet in aanmerking komen voor een vergunning voor het online aanbieden van casinospelen?

6. Moeten artikel 56 VWEU en het discriminatieverbod aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de lidstaat, door het eventueel organiseren van een aanbesteding voor het verlenen van concessies voor fysieke casino’s en de bestaande mogelijkheid om als betrouwbare kansspelaanbieder een offerte in te dienen ter verkrijging van een concessie voor een fysiek casino, in theorie garandeert dat een dienstenaanbieder die aan de wettelijk gestelde eisen voldoet –dus ook een in een andere lidstaat gevestigde dienstenaanbieder – aanspraak kan maken op een concessie voor het exploiteren van een fysiek casino en, zodra hij in bezit is van die concessie, op een vergunning voor het exploiteren van een online casino, maar de betrokken lidstaat in de praktijk geen openbare en transparante aanbesteding organiseert om concessies te verlenen, de dienstenaanbieder in werkelijkheid evenmin de mogelijkheid heeft om een offerte in te dienen en de autoriteiten van de lidstaat niettemin oordelen dat de dienstenaanbieder onrechtmatig heeft gehandeld door zonder vergunning diensten aan te bieden en hem een bestuurlijke sanctie opleggen?

7. Moeten artikel 56 VWEU, het discriminatieverbod en de eis van een transparante, objectieve en openbare vergunningsprocedure aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de lidstaat voor bepaalde kansspeldiensten een concessiestelsel invoert waarbij de concessieverlenende overheid ervoor kan kiezen om geen concessieaanbesteding te organiseren, maar concessieovereenkomsten te sluiten met bepaalde personen die worden aangemerkt als betrouwbare kansspelaanbieders, in plaats van alle dienstenaanbieders middels de organisatie van één enkele aanbesteding de mogelijkheid te bieden om onder gelijke voorwaarden deel te nemen aan de aanbesteding?

8. Indien de zevende vraag ontkennend wordt beantwoord en in een lidstaat meerdere procedures kunnen worden ingevoerd om een en dezelfde concessie te verlenen, dient de lidstaat dan krachtens artikel 56 VWEU, met het oog op de effectiviteit van de Unieregeling inzake fundamentele vrijheden, te garanderen dat die procedures gelijkwaardig zijn, gelet op de eis van een transparante, objectieve en openbare vergunningsprocedure en de eis van gelijke behandeling?

9. Is voor het op de zesde tot en met de achtste vraag te geven antwoord van belang dat in geen van beide gevallen is gewaarborgd dat ten aanzien van het concessiebesluit rechterlijke toetsing of andere doeltreffende middelen voorhanden zijn?

10. Moeten artikel 56 EVRM, de in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: “VEU”) neergelegde loyaliteitsbepaling en de institutionele en procedurele autonomie van de lidstaten, gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten (hierna: “Handvest”) en met het recht op een effectieve rechterlijke toetsing en het recht op verdediging als bedoeld in die bepalingen, aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter die de zaak behandelt, bij het onderzoek naar de uit de rechtspraak van het Hof van Justitie voortvloeiende Unierechtelijke eisen en de noodzaak en proportionaliteit van de door de betrokken lidstaat ingevoerde beperking, ambtshalve opdracht mag geven en mag overgaan tot toetsing en bewijsvergaring, ook al kent het nationale procesrecht van de lidstaat daartoe geen wettelijke bevoegdheid?

11. Moet artikel 56 VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest en met het recht op een effectieve rechterlijke toetsing en het recht op verdediging als bedoeld in die bepalingen, aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter die de zaak behandelt, bij het onderzoek naar de uit de rechtspraak van het Hof van Justitie voortvloeiende Unierechtelijke eisen en de noodzaak en proportionaliteit van de door de betrokken lidstaat ingevoerde beperking, de bewijslast niet bij de door de beperking getroffen dienstenaanbieders mag leggen, maar dat de lidstaat – en met name de overheidsinstantie die het bestreden besluit neemt – dient te onderbouwen en aan te tonen dat geen sprake is van strijd met het Unierecht en dat de nationale regeling noodzakelijk en proportioneel is, welke eis als daar niet aan wordt voldaan zonder meer tot gevolg heeft dat de nationale regeling zich niet verdraagt met het Unierecht?

12. Moet artikel 56 VWEU, mede in het licht van het in artikel 41, lid 1, van het Handvest neergelegde recht op een eerlijk proces, het artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord, de in artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vastgelegde motiveringsplicht, de in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde loyaliteitsbepaling en de institutionele en procedurele autonomie van de lidstaten, aldus worden uitgelegd dat aan die eisen niet wordt voldaan indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat de kansspelaanbieder niet in kennis stelt van het feit dat overeenkomstig de nationale regeling een administratieve strafprocedure in gang is gezet, deze autoriteit die kansspelaanbieder vervolgens, tijdens de administratieve procedure, evenmin in de gelegenheid stelt zijn standpunt kenbaar te maken omtrent de verenigbaarheid van de regeling van de lidstaat met het Unierecht, en zij hem in een besluit waartegen geen bezwaar openstaat, zonder in de motivering van dat besluit nader in te gaan op die verenigbaarheid en het bewijs daarvan, een sanctie oplegt die naar nationaal recht als bestuurlijke sanctie wordt aangemerkt?

13. Wordt, in het licht van artikel 56 VWEU, artikel 41, leden 1 en 2, onder a) en c), en de artikelen 47 en 48 van het Handvest en het recht op een effectieve rechterlijke toetsing en het recht op verdediging als bedoeld in die bepalingen, voldaan aan de eisen die in de genoemde artikelen worden gesteld indien de kansspelaanbieder de verenigbaarheid van de nationale regeling met het Unierecht voor het eerst en uitsluitend bij de nationale rechter ter discussie kan stellen?

14. Kunnen artikel 56 VWEU en de op de lidstaten rustende verplichting om de beperking van het vrije dienstenverkeer te onderbouwen en met redenen te omkleden aldus worden uitgelegd dat de lidstaat niet aan die verplichting heeft voldaan als de desbetreffende effectbeoordeling waarop de met de beperking nagestreefde doelstellingen op het gebied van openbare orde zijn gebaseerd, noch bij de invoering van de beperking noch bij de toetsing voorhanden is?

15. Is de aan de orde zijnde bestuurlijke sanctie, gelet op de wettelijk voorgeschreven wijze ter bepaling van de hoogte van de mogelijkerwijs op te leggen sanctie, de aard van de activiteit waarvoor de sanctie wordt opgelegd, in het bijzonder de mate waarin de activiteit de openbare orde en veiligheid raakt, en het punitieve doel van de sanctie, voor de toepassing van de artikelen 47 en 48 van het Handvest aan te merken als een strafsanctie? Is dit van belang voor het op de elfde tot en met de veertiende vraag te geven antwoord?

16. Moet artikel 56 VWEU aldus worden uitgelegd dat indien de rechter die de zaak behandelt, op basis van de op de voorgaande vragen gegeven antwoorden de regeling en de toepassing daarvan onrechtmatig verklaart, hij ook dient vast te stellen dat de sanctie die gebaseerd is op de met artikel 56 VWEU strijdige nationale regeling, zich niet verdraagt met het Unierecht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (o.m.) C-46/08 Carmen Media Group;

Specifiek beleidsterrein: VenJ, EZ

Gerelateerde documenten