C-300/17 Hochtief

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   24 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   10 september 2017

Trefwoorden: overheidsopdrachten; toegang tot de rechter

Onderwerp: - handvest grondrechten artikel 47 (toegang tot de rechter)
- richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken;
- richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997;

Verzoekster is een DUI vennootschap, verweerder het gemeentebestuur van Boedapest. De zaak gaat over de procedure van gunning van een overheidsopdracht via onderhandelingen met bekendmaking van een uitnodiging tot inschrijving. Het consortium waaraan verzoekster leiding geeft (‘Holi’) wordt uitgesloten wegens een belangenconflict:

één van zijn projectleiders heeft eerder namens de aanbestedende dienst deelgenomen aan de voorbereiding van de aanbesteding. Holi komt tegen die beslissing op bij de arbitragecommissie die 12-09-2005 zijn bezwaar afwijst. Dit leidt uiteindelijk tot zaak C-138/08; na hervatting van de nationale zaak wordt de uitspraak in eerste instantie bevestigd. De rechter geeft aan niet te hebben onderzocht of verweerder een inbreuk heeft gepleegd met zijn vaststelling van een belangenconflict zonder verzoekster daarover te horen, omdat dat middel niet in de bezwaarprocedure was ingebracht. De administratieve beslissing bevatte geen bepaling die de rechter kon toetsen. Het HON Hooggerechtshof heeft 07-02-2011 het eindarrest bevestigd. De EURCIE heeft onderzoek gedaan naar de gunningsprocedure en geconstateerd dat verweerder de regelgeving had geschonden door Holi niet in de gelegenheid te stellen tegenbewijs te leveren dat geen sprake was van concurrentieverstoring, verwijzend naar arrest in C-21/03 en C-34/03. Verzoekster dient daarop een herzieningsverzoek in dat 06-06-2013 door de bestuursrechter wordt afgewezen op de grond dat een dergelijk verzoek alleen kan worden ingediend met betrekking tot feitelijke aangelegenheden en moet gebaseerd zijn op gronden die verband houden met de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde feiten. Deze uitspraak wordt door het Hoofdstedelijk Hof bevestigd. Verzoekster wijzigt daarop haar verzoek in veroordeling van verweerder tot betaling van een schadevergoeding wegens de door de EURCIE geconstateerde schending. Zij stelt dat het instellen van een vordering in de HON wet inzake overheidsopdrachten niet afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de arbitragecommissie of een appelrechter schending vaststelt en dat ook op andere wijze aan de bewijsplicht in die wet kan worden voldaan. Verweerder is het daar niet mee eens en stelt ook dat de vordering verjaard is. Verzoekster stelt cassatieberoep in bij de verwijzende rechter en vraagt om het voorleggen van vragen aan het HvJEU.

De verwijzende HON rechter (Hooggerechtshof) wijst op diverse arresten van het HvJEU (C-61/14, C-166/14) over de noodzaak van ruime toegang tot de beroepsprocedures. Wat de vordering tot schadevergoeding betreft oordeelt hij dat uit RL 89/665 volgt dat een nationale regeling het instellen van een dergelijke vordering afhankelijk stelt van de voorafgaande nietigverklaring van het aangevochten besluit door een bestuursorgaan of een rechter (arrest Medval). Het stellen van de voorwaarde dat arbitragecommissie of de appelrechter de schending heeft vastgesteld is dan (volgens artikel 2 van de RL) ook geoorloofd. Ook al is een dergelijke regeling in het algemeen niet in strijd met het EU-recht, de toepassing ervan samen met andere bepalingen van de HON wet inzake overheidsopdrachten en van het WRv kan ertoe leiden dat de gelaedeerde de onwettigheid van zijn uitsluiting van de procedure voor het plaatsen van de overheidsopdracht niet kan aantonen. Hij legt de volgende vragen aan het HvJEU voor:

1. Verzet het Unierecht zich tegen een procedurele bepaling van een lidstaat die de instelling van een burgerlijke rechtsvordering wegens schending van een regel inzake overheidsopdrachten afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de arbitragecommissie inzake overheidsopdrachten of een rechter – bij wie beroep is ingesteld tegen de beslissing van de arbitragecommissie inzake overheidsopdrachten – definitief vaststelt dat die regel is geschonden?

2. Kan een bepaling van een lidstaat die de instelling van een vordering tot schadevergoeding afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de arbitragecommissie inzake overheidsopdrachten of een rechter – bij wie beroep is ingesteld tegen de beslissing van de arbitragecommissie inzake overheidsopdrachten – definitief vaststelt dat de regel is geschonden, overeenkomstig het Unierecht worden vervangen door een andere bepaling? Anders gezegd, kan de gelaedeerde de schending van de regel op een andere wijze aantonen?

3. Is een procedurele bepaling van een lidstaat in strijd met het Unierecht, in het bijzonder met het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel, of kan zij een met het Unierecht en die beginselen strijdig effect hebben in het kader van een schadevergoedingsprocedure, wanneer op grond van die bepaling tegen een administratieve beslissing alleen in rechte kan worden opgekomen met de middelen die in de procedure voor de arbitragecommissie inzake overheidsopdrachten zijn aangevoerd, ook al kan de gelaedeerde de onwettigheid van zijn uitsluiting wegens een belangenconflict overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie slechts op zodanige wijze als grond voor de door hem gestelde schending van de regel aanvoeren dat hij, volgens de specifieke regels voor de procedure van gunning via onderhandelingen, om een andere reden – namelijk een wijziging van zijn verzoek tot deelname – van de procedure voor het plaatsen van de overheidsopdracht wordt uitgesloten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-21/03 en C-C-34/03 Fabricom; 61/14 Horizonte Salute; C-166/14 MedEval;

Specifiek beleidsterrein: EZ en BZK
 

Gerelateerde documenten