C-302/17 PPC Power

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   24 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   9 september 2017

Trefwoorden: handel in broeikasgasemissierechten; vrij verkeer goederen; vrije vestiging; douane-unie
Onderwerp: - VWEU artikelen 28 (vrij verkeer goederen); 30 (douane-unie); 49 en 54 (recht vrije vestiging);
- richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad.

In 2010 is in SLW de belasting op emissierechten ingevoerd die wordt opgelegd aan belastingplichtigen die in het emissierechtenregister 2011 en 2012 staan. Deze wet was van kracht van 01-01-2011 – 30-06-2012 en van toepassing op onderhavig geschil. Het gaat om betaling van (twee) voorheffingen die in de loop van een referentiejaar betaald moeten worden. Verzoekster heeft de belastingdienst (tweede verweerster) gevraagd om de door haar verschuldigde voorheffingen voor 2011 op € 0 vast te stellen maar dat verzoek wordt afgewezen: verzoekster krijgt voor het eerste semester een voorheffing van € 300.000 opgelegd. Verzoekster voldoet de aanslag maar vraagt meteen om teruggave van dat bedrag, omdat zij van mening is dat de belasting in strijd is met RL 2003/87. Ook dat verzoek wordt afgewezen. Zij gaat in beroep bij eerste verweerder (MinFIN) die het besluit van de belastingdienst 16-09-2011 bevestigt. Hetzelfde scenario voltrekt zich voor het tweede semester. Er liggen dan twee afwijzende besluiten waartegen geen administratief beroep open staat. Verzoekster vraagt de verwijzende rechter om toetsing van de rechtmatigheid van de besluiten.

Bij de verwijzende SLW rechter (Regionaal Hof Bratislava) stelt verzoekster dat de belasting in strijd is met het recht van vrije vestiging, het verbod van in- en uitvoerrechten en met de doelstellingen van RL 2003/87. Op grond daarvan hadden verweerders de voorheffing op € 0 moeten vaststellen. Zij bestrijdt verweerders stelling dat beoordeling of de belastingwetten in overeenstemming zijn met EUrecht buiten de bevoegdheid van de belastingAut valt. Zij wijst met name op arrest in de Iberdrola-zaken en in zaak C-43/14 waaruit zij meent te kunnen afleiden dat de SLW belasting met het EU-recht strijdig is. Verweerders stellen dat verzoekster voordeel heeft behaald uit de verkoop van emissierechten die de bespaarde rechten overschrijden en dat zij derhalve slechts geprobeerd heeft om winst te behalen. De RL stelt geen grenzen aan het recht van EULS om maatregelen te nemen om de winst uit de handel in emissierechten te reduceren, zoals ook blijkt uit het Iberdrola-arrest. De SLW regeling doet geen afbreuk aan de doelstelling de vermindering van emissies te bevorderen. Arrest C-43/14 is niet van toepassing omdat de SLW belastingplicht geen betrekking heeft op toewijzing emissierechten. Hetzelfde geldt voor het Iberdrola-arrest omdat het gebruik van emissierechten niet aan belasting is onderworpen.

De verwijzende rechter acht het mogelijk dat de gewraakte besluiten in strijd zijn met enkele doelstellingen van de RL (zie in de vragen de punten i - v) en dan nietig moeten worden verklaard. In de huidige rechtspraak van het HvJEU vindt hij geen duidelijke oplossing voor onderhavige situatie. Hij legt dan ook de volgende vragen aan het HvJEU voor:

„Moeten de doelstellingen en beginselen van richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (hierna: “richtlijn”) – te weten

(i) het doel om door technologische vooruitgang de uitstoot van broeikasgassen te verminderen (artikel 1 en overwegingen 2 en 20),

(ii) het doel de economische ontwikkeling en de eenheid van de interne markt te bewaren, en gelijke concurrentievoorwaarden te handhaven (overwegingen 5 en 7),

(iii) het doel financieel en economisch gunstige voorwaarden voor de vermindering van emissies van broeikasgassen te garanderen (artikel 1), het beginsel van rechtszekerheid voor de in artikel 3, onder f), gedefinieerde exploitanten in verband met het feit dat de exploitanten overeenkomstig artikel 9 erop moeten kunnen vertrouwen dat het nationale toewijzingsplan vanaf ten minste achttien maanden voor de aanvang van de betrokken periode ongewijzigd blijft (dat wil zeggen, voor de periode van 2008 tot en met 2012 ten minste vanaf 30 juni 2006),

(iv) het vereiste dat de emissierechten kosteloos worden toegewezen (artikel 10),

(v) het recht van de in artikel 13, lid 3, tweede alinea, vermelde personen dat voor de emissierechten die zij bezaten en welke [niet] door de lidstaten zijn geannuleerd, vervangende emissierechten worden toegekend als bedoeld in artikel 13, lid 3, eerste alinea –

aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling van een lidstaat die aan in deze lidstaat belastingplichtige exploitanten, zoals gedefinieerd in artikel 3, onder f), van de richtlijn, een bijzondere belasting oplegt

(i) op de rechtsgrond dat belasting wordt geheven over het beheer van emissierechten (indien zij niet worden gebruikt of verkocht), zonder in aanmerking te nemen of de beheerder daaruit al dan niet voordeel heeft behaald,

(ii) indien deze emissierechten aan deze exploitanten waren toegewezen op grond van het nationale toewijzingsplan voor de periode 2008-2012 dat de lidstaat overeenkomstig artikel 9 van de richtlijn aan de Europese Commissie heeft gepresenteerd (dat wil zeggen dat dit plan aan de Europese Commissie en de lidstaten is meegedeeld overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de richtlijn en niet door de Europese Commissie is verworpen als bedoeld in artikel 9, lid 3, van de richtlijn), waarin overeenkomstig artikel 10 van de richtlijn is bepaald dat voor de periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 2008 alle emissierechten kosteloos worden toegewezen,

[(iii)] indien het betrokken belastingtarief 80% van de heffingsgrondslag voor de emissierechten bedraagt, die wordt vastgesteld als de som van de producten van de in elke kalendermaand overgedragen (verkochte) emissierechten en de gemiddelde marktprijs van de emissierechten in de aan de overdracht voorafgaande maand, en het product van de niet-gebruikte emissierechten en de gemiddelde marktprijs van de emissierechten in het betrokken kalenderjaar, [(iv)] indien de gemiddelde marktprijzen zijn berekend als rekenkundig gemiddelde van de prijzen van de laatste transactie die op een dag is verricht (dat wil zeggen, de heffing hangt niet af van de prijs waarvoor de emissierechten werkelijk zijn verkocht)?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-566/11, C-567/11, C-580/11, C-591/11, C-620/11 en C-640/11 (Iberdrola); C-43/14 SKO Energo

Specifiek beleidsterrein: EZ en IenM

Gerelateerde documenten