C-308/17

  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   18 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   4 september 2017

Trefwoorden: EEX (Brussel I-bis); plaats van uitvoering

Onderwerp: verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Verzoeker heeft via een OOS bank door GRI (verweerder) uitgegeven staatsobligaties gekocht die op de beurs in Athene verhandeld werden. Het betreft gedematerialiseerde (girale) effecten die in het girale stelsel van de GRI centrale bank geregistreerd zijn dat gebaseerd is op rekeningen op naam van de verschillende deelnemers aan het stelsel. Tussen verzoeker en GRI is geen contractuele band. Op 23-02-2012 wordt in GRI een wetswijziging aangenomen. Op grond van die wet wordt aan de houders van bepaalde GRI staatsobligaties een herstructureringsaanbod gedaan hetgeen erop neerkomt dat de emissievoorwaarden gewijzigd worden en heeft de verwerende staat de obligaties van verzoeker geconverteerd, waardoor de oorspronkelijke staatsobligaties zijn geruild tegen nieuwe met een lagere nominale waarde. Verzoeker start een procedure waarin hij van GRI terugbetaling van de obligaties op vervaldatum 20-02-2012 eist + rente. Hij verwijt GRI eigenmachtig een conversie te hebben doorgevoerd en zo nakoming van de oorspronkelijke verbintenis te hebben nagelaten. Hij beroept zich op de emissievoorwaarden en vordert op grond daarvan een schadevergoeding. Volgens verweerder ontbreekt het de OOS rechter aan internationale bevoegdheid omdat de voorwaarden van artikel 7.1 van Vo. 1215/2012 niet zijn vervuld. De rechter in eerste aanleg heeft het beroep op die grond verworpen; in tweede instantie oordeelt de rechter dat verzoeker zijn recht niet doet steunen op een GRI wetgevingshandeling als zodanig, maar op de oorspronkelijke emissievoorwaarden. Verzoeker stelt dat verweerder haar uit de obligatie voortvloeiende contractuele verbintenissen niet nakomt, en voert dus (eveneens) aan dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, internationaal bevoegd is op grond van artikel 7, punt 1, onder a), tweede alternatief, van de Vo. Het gaat daar om de plaats waar de verbintenis had moeten worden uitgevoerd, in casu OOS. Verweerder gaat in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

De verwijzende OOS rechter (Oberster Gerichtshof) stelt vast dat de bevoegdheid van de rechter voor toepassing van artikel 7.1 a) afhangt van de plaats van uitvoering. Toepassing van die bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst vereist een verbintenis waarop de vordering berust (met verwijzing naar de zaak C-375/13). Verzoeker beroept zich op de emissievoorwaarden. Het HvJEU heeft onder meer in C-226/13 uitspraak gedaan over een zaak met betrekking tot uitgifte van obligaties. De verwijzende rechter concludeert daaruit dat sprake is van een burgerlijke of handelszaak – uitgifte van obligaties heeft geen relatie met uitoefening van openbaar gezag. Tussen partijen is niet in geschil dat GRI recht van toepassing is op de uit de obligatielening voortvloeiende rechtsverhouding. Voor wat betreft de plaats van uitvoering legt hij  het HvJEU de volgende samengestelde vraag voor:

“Dient artikel 7, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus te worden uitgelegd
1. dat voor de vaststelling van de plaats van uitvoering in de zin van deze bepaling beslissend is wat daaromtrent voor het eerst contractueel is afgesproken, ook al gaat het – zoals in casu – om een vordering die meermaals krachtens overeenkomst is overgegaan?

2. dat de feitelijke plaats van uitvoering in het geval waarin nakoming wordt gevorderd van een verbintenis tot inachtneming van de voorwaarden van een staatsobligatie zoals die welke in casu door de Helleense Republiek is uitgegeven – of waarin schadevergoeding wordt gevorderd omdat deze verbintenis niet wordt nagekomen – reeds komt vast te staan door de bijschrijving van rente over deze staatsobligatie op een rekening die wordt aangehouden door een houder van een binnenlandse effectenrekening?

3. dat de omstandigheid dat een juridische plaats van uitvoering in de zin van artikel 7, punt 1, onder a), van de verordening is komen vast te staan door wat daaromtrent voor het eerst contractueel is afgesproken, eraan in de weg staat dat wordt aangenomen dat door de daaropvolgende feitelijke uitvoering van een overeenkomst een – nieuwe – plaats van uitvoering in de zin van die bepaling komt vast te staan?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-226/13 Fahnenbrock; C-375/13 Kolassa

Specifiek beleidsterrein: VenJ en FIN