C-323/17 People Over Wind

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   26 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   11 september 2017

Trefwoorden: milieu; MER; habitatrichtlijn

Onderwerp: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna

Eerste verzoekster is een niet-gouvernementele milieuorganisatie. Tweede verzoeker is een milieuactivist. Verweerster is een commerciële overheidsonderneming die een windmolenpark wil ontwikkelen. Het gaat in deze zaak om de vergunning voor aansluiting van het park op het netwerk. Verweerster heeft in 2013 een vergunning voor aanleg van het park gevraagd waarbij de netwerkaansluiting niet was inbegrepen. Er is een MER verricht waaruit is gebleken dat het project significante gevolgen kon hebben voor twee Natura 2000-gebieden waarbinnen zich twee speciale beschermingszones (SBZ) bevinden. Er is een gerechtelijke procedure gevolgd waarin het gaat om bescherming van een ernstig bedreigde mosselsoort die enkel in de rivier de Nore voorkomt. Door de hoge sedimentatie van de rivier is die ongeschikt geworden voor (voortplanting van) de soort. Deze SBZ ligt stroomafwaarts van het windmolenpark. Bezorgdheid van partijen was de mogelijke doorsijpeling van bouwafval. Ook andere gebieden, waaronder nog een SBZ, werden wegens de stroomafwaartse ligging bedreigd. De lokale overheid heeft geweigerd de vergunning af te geven. De nationale beroepsinstantie (An Bord Pleanála) heeft dat later wel gedaan onder (onder meer de) voorwaarde dat afvloeiing van het oppervlaktewater zou worden gecontroleerd. Eerste verzoekster krijgt vervolgens toestemming om de vergunning voor het park door een rechter te laten toetsen. Daarbij komt aan de orde dat bij de MER geen rekening is gehouden met de netwerkaansluiting. De High Court heeft dit argument evenwel niet willen onderzoeken aangezien het niet het voorwerp uitmaakte van een grond waarvoor toelating was verleend. Wel heeft de rechter bezien of er bij een passende beoordeling in de zin van artikel 6.3 van de habitatRL voldoende rekening is gehouden met de betreffende mossel. Hij oordeelde dat de aan de projectontwikkelaar opgelegde last mogelijk te zwaar zou zijn, zodat deze voorwaarde niet kon worden gerealiseerd. Ook het beroep tegen dat besluit valt voor eerste verzoekster niet positief uit. Rest nu de procedure over de netwerkaansluiting.

De verwijzende IER rechter (Hooggerechtshof) zet uiteen hoe het vergunningenbeleid in IER is geregeld. Voor sommige projecten, aangemerkt als ‘vrijgesteld project’, is geen vergunning nodig. Een voorbeeld daarvan is het leggen van ondergrondse leidingen, buizen, kabels of andere materialen ten behoeve van het project door een aannemer die gemachtigd is om elektriciteitsdiensten aan te bieden. Wel kunnen dan andere soorten toestemming vereist zijn, zoals in casu op grond van het besluit uit 2011 dat de vogel- en habitatRL uitvoert. De autoriteiten zijn dan verplicht een screening uit te voeren om te onderzoeken of het project mogelijk significante gevolgen voor het milieu heeft.

Verweerster stelt dat het hier om een vrijgesteld project gaat, maar erkent dat mogelijk een passende beoordeling in de zin van het besluit vereist is. Zij heeft een screening laten doen waaruit naar voren komt dat negatieve gevolgen te verwachten zijn indien geen beschermende maatregelen worden genomen, maar dat geen significante gevolgen te verwachten zijn, zodat een passende beoordeling niet vereist is. De verwijzende rechter vraagt zich af of op deze wijze met de beschermingsmaatregelen rekening mag worden gehouden en legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Mogen mitigerende maatregelen in aanmerking worden genomen bij de screening ter vaststelling of een passende beoordeling op grond van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet worden verricht, en zo ja in welke omstandigheden mogen dergelijke maatregelen dan in aanmerking worden genomen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ en IenM