C-325/16 Industrias Químicas del Vallés

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   31 januari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       17 februari 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   17 maart 2017

Trefwoorden: gewasbeschermingsmiddelen; betekenis ‘uiterlijke termijn’

Onderwerp: - richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen;
- richtlijn 2010/28/EU van de Commissie van 23 april 2010 tot wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde metalaxyl op te nemen als werkzame stof (= uitvoering arrest C-326/05);

Deze zaak werd eerder geschorst in afwachting van arrest in zaak C-293/16 maar het Hof heeft besloten de zaak nu toch apart te behandelen. Het gaat om toelating van de stof metalaxyl in bijlage I bij RL 91/414. De zaak is al in 1995 begonnen toen Syngenta (DUI) als voornaamste en verzoekster (IQV) als secundaire kennisgever het opnameverzoek in POR (de als rapporteur optredende LS) hebben ingediend. PORaut achtten het door verzoekster ingediende dossier (in tegenstelling tot dat van Syngenta) onvolledig. Verzoekster kreeg daarop een nieuwe termijn toegekend. Syngenta trekt zich terug uit de procedure. Dit levert voor verzoekster problemen op en zij vraagt om een extra termijn, welk verzoek door PORaut wordt afgewezen. Dit leidt tot beschikking 2003/308/EG van de EURCIE van 02-05-2003 (niet-opneming van de stof), vervolgens tot arrest C-326/05 (IQV/EURCIE) waarbij de beschikking nietig verklaard is. Ter uitvoering van het arrest is RL 2010/28 vastgesteld met als termijn ‘uiterlijk 31-12-2010’ om de wijziging door te voeren. SPA leidt op 30-04-2010 de procedure tot herziening in die naar verwachting tijdig zou worden afgerond.

Op 29-06-2010 dient SAPEC AGRO een verzoek in tot opname van metalaxyl, tezamen met een afschrift van het dossier (dat bij de rapporterende staat POR is ingediend). Op 30-12-2010 dient Sapec een memorie in waarin zij (gezien de wisselvalligheden in de POR procedure) verlenging van de termijn vraagt (die op 31-12 afloopt). Dit wordt bij besluit van 05-04-2011 toegekend. Verzoekster komt op tegen dat besluit; zij is een concurrente van Sapec en stelt dat het door Sapec ingediende dossier na de deadline (van 31-12-2010) is aanvaard, een termijn die niet verlengbaar zou zijn, zo blijkt uit RL 2010/28 en de door de EURCIE opgestelde criteria, en zeker niet op grond van nationale regelgeving. Zij wijst op de door haar verrichte (financiële) inspanningen om (her)registratie van haar product te bewerkstelligen. Zij stelt kwade trouw van Sapec door pas op de voorlaatste dag uitstel te vragen. Sapec stelt dat verzoeksters reactie slechts te maken heeft met haar belang als concurrente. Zij wijst erop dat uit arrest C-326/05 de mogelijkheid tot verlenging van de termijn zou blijken.

De verwijzende SPA rechter (Hooggerechtshof) heeft met name twijfel over de juiste uitleg van artikel 3.1 van RL 2010/28. In zaak C-326/05 ging het om verwarring over de gestelde termijn zodat verzoekster IQV niet kon worden verweten geen volledig dossier te hebben ingediend, maar in casu is wel degelijk sprake van een duidelijke termijn (te weten 31-12-2010). Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

1) Is de uiterste datum die in richtlijn 2010/28/EU [van de Commissie van 23 april 2010 tot wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde metalaxyl op te nemen als werkzame stof] is vastgesteld met de uitdrukkingen “uiterlijk op 31 december 2010” in artikel 3, lid 1, en “uiterlijk op die datum” in artikel 3, lid 1, tweede alinea, waarmee ook naar 31 december 2010 wordt verwezen, uitgelegd in samenhang met de termijn van zes maanden als bedoeld in overweging 8 van richtlijn 2010/28, een uiterste termijn gelet op het doel van het bij richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 [betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen] ingestelde systeem, waardoor die termijn niet kan worden verlengd door de lidstaten en derhalve definitief is vastgesteld in die richtlijn?

2) Indien wordt aangenomen dat die termijn kan worden verlengd, moet de beslissing over die verlenging worden genomen zonder inachtneming van concrete procedureregels inzake het verzoek tot verlenging en de toekenning van de verlenging of moeten de lidstaten, aangezien dit onder hun bevoegdheid valt, een beslissing nemen volgens hun nationale wettelijke regeling, aangezien de bepalingen tot vaststelling van de procedure van artikel 3, lid 1, van de richtlijn tot hen zijn gericht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenM
 

Gerelateerde documenten