C-326/17 RDW e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.
 

Termijnen: Motivering departement:   26 juli 2017

Schriftelijke opmerkingen:                   11 september 2017
 

Trefwoorden: kentekenbewijzen motorvoertuigen; erkenning kentekenbewijzen uit andere EULS
 

Onderwerp: Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (Pb 1999 L 138);

- Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Pb 1970 L 42);

- Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Pb 2007 L 263) = kaderRL;

 

Het betreft twee gevoegde zaken, met verweerders X en Y, en Z. In de zaak X en Y gaat het om registratie van een Bentley uit 1950 waarin een voertuigidentificatienummer (VIN) is aangebracht en de specificaties zijn opgenomen in een ‘Car or Chassis specification – Work instruction’. Op 08-05-2012 is voor het voertuig een Engels kentekenbewijs afgegeven. In 2013 is de auto ‘verbouwd’ naar een 1930-model, waarbij chassis en aandrijflijn zijn behouden. Op 29-10-2013 is een BEL kentekenbewijs afgegeven en op 14-01-2014 is het voertuig bij de RDW aangeboden. Daar wordt geconstateerd dat het om een ‘samengesteld voertuig’ gaat en dat in het BEL kentekenbewijs een andere motor wordt genoemd. Verzoekster weigert bij besluit van 10-02-2014 de inschrijving, het bezwaar van X en Y wordt 16-07-2014 ongegrond verklaard. Inmiddels is op 19-05-2014 een nieuw BEL kentekenbewijs afgegeven met een andere motorinhoud. X en Y dienen 04-06-2014 een nieuwe aanvraag in. Nieuw onderzoek door de RDW wijst opnieuw een verschil uit in motorinhoud waarbij wordt vermoed dat de BEL dienst het originele Engelse kentekenbewijs uit 1950 heeft overgenomen, zonder de ‘verbouwing’ mee te nemen. Ook het tweede verzoek wordt 27-08-2014 afgewezen en het bezwaar daartegen 22-12-2014 ongegrond verklaard: het voertuig voldoet niet aan de technische eisen van de kaderRL 2007/46 en is het geen voertuig in de zin van artikel 3 daarvan. Het BEL kentekenbewijs is geen geharmoniseerd kentekenbewijs in de zin van de RL.
 

De Rb Gelderland oordeelt 25-06-2015 dat het NL kentekenbewijs dient te worden afgegeven: de kentekenbewijzenRL is van toepassing en het voertuig is te identificeren aan de hand van het BEL kentekenbewijs. Tegen die uitspraak heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
 

In de zaak Z gaat het om een Alvis uit 1938. Ook hier vindt een ‘verbouwing’ plaats en is er reden informatie in VK op te vragen. Daaruit blijkt dat het kenteken ‘in goed vertrouwen’ is afgegeven en dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Op 09-01-2015 weigert verzoekster inschrijving (op dezelfde gronden als in X en Y). Extra probleem daarbij vormt het gebrek aan onderzoek in VK. De Rb Gelderland oordeelt echter dat het voertuig voldoet aan de definitie van voertuig die is opgenomen in artikel 2, aanhef en onder a, van de Kentekenbewijzenrichtlijn.

 

Bij de verwijzende NL rechter (RvS) stelt verzoekster dat geen sprake is van een voertuig in de zin van de KentekenbewijzenRL, omdat het voertuig niet voldoet aan de technische voorschriften van die RL. Artikel 26 bepaalt dat de LS de verkoop van een dergelijk voertuig toestaan, maar de definitieve registratie en het in het verkeer brengen kunnen weigeren zolang de voertuigen incompleet zijn. Dit geldt volgens de ROW eveneens als het incomplete voertuig ten tijde van de aanvraag geregistreerd is in een andere lidstaat. Zij verwijst daartoe naar de Mededeling van de Commissie betreffende procedures voor de registratie van uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen (SEC(2007) 169. In beide zaken is sprake van niet-geharmoniseerde kentekenbewijzen en dan is artikel 4 van de richtlijn niet van toepassing. Op grond van het arrest C-297/05 (CIE/NL) acht verzoekster zich bevoegd om te beoordelen of de inhoud van de kentekenbewijzen haar in staat stelt de voertuigen met voldoende nauwkeurigheid te identificeren. Zij laakt de miskenning door de Rb van haar discretionaire bevoegdheid.
 

In geschil is of verzoekster artikel 25b van het Kentekenreglement, zoals uitgelegd in het licht van artikel 4 van de KentekenbewijzenRL heeft geschonden door de in beide zaken overgelegde kentekenbewijzen niet voor registratie in het kentekenregister te erkennen. Om dit te kunnen oplossen heeft de Raad antwoord nodig op de volgende aan het HvJEU voorgelegde vragen:
 

1. Is Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB 1999 L 138) van toepassing op motorvoertuigen die bestonden vóór 29 april 2009, de datum waarop lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moeten toepassen ter implementatie van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB 2007 L 263)?
 

2. Is een motorvoertuig dat is samengesteld uit wezenlijke onderdelen die zijn vervaardigd voor toepassing van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB 2007 L 263) en anderzijds uit wezenlijke onderdelen die pas na toepassing van die richtlijn zijn toegevoegd, een motorvoertuig dat reeds bestond voor toepassing van die richtlijn, of is een dergelijk motorvoertuig eerst na toepassing van die richtlijn tot stand gekomen?
 

3. Geldt, gelet op artikel 3, tweede lid, van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB 1999 L 138), de erkenningsplicht als bedoeld in artikel 4 van deze richtlijn onverkort als op het kentekenbewijs gegevens achter bepaalde (op grond van de bijlagen bij deze richtlijn verplicht gestelde) communautaire codes niet zijn ingevuld, wanneer deze gegevens eenvoudig te achterhalen zijn?
 

4. Is het op grond van artikel 4 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB 1999 L 138) toegestaan om een kentekenbewijs van een andere lidstaat te erkennen, maar het voertuig toch aan een technische controle in de zin van artikel 24, zesde lid, van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB 2007 L 263) te onderwerpen en, indien het voertuig niet voldoet aan de technische eisen van de lidstaat, daaraan het gevolg te verbinden dat de afgifte van het kentekenbewijs wordt geweigerd?
 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-297/05 CIE/NL
 

Specifiek beleidsterrein: IenM