C-329/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   21 juli 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   7 september 2017
 

Trefwoorden: milieu; milieueffectbeoordeling (‘MER’); begrip ‘ontbossing’
 

Onderwerp: richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(Pb L 26 van 28 januari 2012, blz. 1-21)

 

De zaak betreft de aanleg van een ondergrondse elektriciteitsleiding door Netz Oberösterreich (medeverweerster), onder meer door een bos. Medeverweerster vraagt daartoe 29-03-2016 het bestuur van het gewest (eerste verweerder) om vaststelling of hiervoor een MER dient te worden opgesteld, waarop het bestuur bij besluit van 14-06-2016 antwoordt dat op grond van de OOS regelgeving geen MER noodzakelijk is voor uitvoering van het plan.
 

Verzoekers zijn tegen dat besluit opgekomen. In eerste aanleg wordt hun verzoek verworpen met de motivatie dat er geen MER is vereist, omdat de ingrepen in de bosbegroeiing, die verband houden met het aanleggen van het tracé voor de voorgenomen aanleg van de elektriciteitsleiding, geen “ontginning” in de zin van de OOS regelgeving is. Verzoekers gaan in beroep tot revision bij de verwijzende rechter.

 

Bij de verwijzende OOS rechter (Verwaltungsgerichthof) baseren verzoekers zich op een beschikking van het Verwaltungsgerichtshof van 29-09-2015 op grond waarvan het aanleggen van bostracés in de zin de OOS boswet 1975 bij een juiste uitlegging van de bepalingen van OOS recht als “ontginning” kan worden gekwalificeerd. Daarvoor pleit ook een richtlijnconforme uitlegging van het begrip “ontginning” in de OOS MER-wet, daar een dergelijk aanleggen van bostracés zonder twijfel “ontbossing” in de in van bijlage II bij richtlijn 2011/92 vormt.
 

De verwijzende rechter oordeelt dat bij het aanleggen van bostracés het niet gaat om het gebruik van bosgrond voor andere doeleinden dan die voor van het ontginnen van het bos. Het dient derhalve niet te worden beschouwd als ontbossing in de zin van de OOS boswet en derhalve van de OOS MER-wet. Toch dient het begrip ontbossing bij twijfel te worden uitgelegd tegen de achtergrond van RL 2011/92. Daaronder valt niet zonder meer ‘ontbossing’, maar ‘ontbossing die plaatsvindt met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik’. In andere taalversies van de RL wordt dit bevestigd. Het HvJEU heeft in zaak C-215/06 (negatief) geoordeeld over het ontbreken van een MER en gewezen op de noodzaak van bijzondere aandacht voor het kwestbare milieu van berg- en bosgebieden. Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU
 

„ Dient richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten( PB L 26 van 28 januari 2012, blz. 1-21; hierna: “richtlijn 2011/92”) aldus te worden uitgelegd, dat het aanleggen van bostracés met het oog op de aanleg van een energieleiding, en voor de duur van de rechtmatige aanwezigheid ervan, “ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik” in de zin van punt 1, onder d), van bijlage II bij richtlijn 2011/92 vormt?”
 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-215/06 CIE/IER
 

Specifiek beleidsterrein: IenM en EZ