C-33/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   20 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       06 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   06 mei 2017

Trefwoorden: vrij verkeer diensten; waarborgsom

Onderwerp: - VWEU artikel 56 (vrij verkeer diensten);
- richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt.

Verzoekster is een in Prevalje/SLV gevestigde vennootschap. Zij heeft met in StMichael/OOS gevestigde verweerder (Vavti) een overeenkomst gesloten voor uitvoering van werkzaamheden in het huis van verweerder. De twee genoemde dorpen liggen aan weerszijden van de OOS/SLV grens op circa 18 km afstand van elkaar. Verweerder betaalt de overeengekomen aanbetaling, maar na beëindiging van de opdracht wordt het restant (arbeidsloon voor een bedrag van € 5200) niet betaald. Verzoekster vordert dit bedrag dan ook voor de rechter.
Op 16-03-2016 heeft een controle plaatsgevonden op de bouwplaats (bij verweerder) en zijn verschillende administratieve overtredingen geconstateerd waarmee verzoekster OOS Wet op de aanpassing van het arbeidsovereenkomstenrecht heeft overtreden (onder meer niet melden aanvang werkzaamheden en het ontbreken van salarisdocumenten voor de aanwezige werknemers). OOSaut (districtsbestuur) vordert vervolgens bij besluit van 17-03-2016 dat verweerder het resterende bedrag niet aan verzoekster maar aan OOSaut betaalt als waarborgsom voor een mogelijke boete voor schending van genoemde wet. (Op 20-04-2016 voldoet verweerder aan die eis). OOSaut heeft het besluit verdedigd door te stellen dat strafvervolging van de SLV dienstverrichter moeilijk of zelfs geheel onmogelijk zou zijn en de hoogte van het bedrag door te wijzen op de (veel hogere) maximale boetebedragen. Er is geen onderzoek naar de financiële draagkracht van verzoekster gedaan. Tegen verzoekster is een strafprocedure ingeleid, die leidde tot een boeteoplegging van € 1000 bij beschikking van 11-10-2016 wegens niet aanmelding twee werknemers en bij beschikking van 12-10-2016 een boete van € 8000 wegens ontbreken van salarisdocumenten in de DUI taal. Verzoekster maakt op 02-11-2016 bezwaar, waarover nog geen uitspraak is gedaan.

Door betaling van de waarborgsom is verweerder bevrijd van zijn schuld aan verzoekster. (Verzoeksters bezwaar heeft geen opschortende werking). Verzoekster is geen partij in de procedure inzake het verbod op de betaling en kan daarin dan ook geen standpunt innemen over de haar verweten overtredingen; dat is pas in de later te volgen strafprocedure mogelijk. Verzoekster is ook niet op de hoogte gesteld van de besluiten van OOSaut.

De verwijzende OOS rechter (Rb Bleiburg) is van mening dat de OOS regeling in strijd is met het vrij verkeer van diensten aangezien zij discriminerend is, gericht tegen dienstverrichters uit een andere EULS, niet gerechtvaardigd en onevenredig is. Hij wijst op de vaste rechtspraak van het HvJEU daarover. Ook administratieve handelingen vallen daaronder. De bepalingen in RL 2014/67 (voorwaarden voor grensoverschrijdende –geld-boetes) worden door OOSaut niet geëerbiedigd. Het opleggen van een waarborgsom is volgens het HvJEU slechts dan toegestaan wanneer aan de solvabiliteit van de schuldenaar wordt getwijfeld; OOSaut heeft dit niet onderzocht. Ook is niet onderzocht of strafvervolging of boete-oplegging in SLV onmogelijk of wezenlijk moeilijker is. Het opleggen van betaling van een waarborgsom is een inbreuk op de contractvrijheid van partijen. De handelwijze van OOSaut kan ertoe leiden dat OOS ondernemingen geen diensten meer willen betrekken van ondernemers uit andere EULS, en vice versa. Een (erkende) rechtvaardiging als sociale bescherming werknemer en voorkoming loon- en sociale dumping kan hier niet worden aangenomen. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Moeten artikel 56 VWEU en richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat een binnenlandse opdrachtgever een stopzetting van betaling en de betaling van een waarborgsom gelijk aan het nog verschuldigde bedrag oplegt, wanneer het verbod van uitvoering van de betaling en de betaling van de waarborgsom alleen dienen tot zekerheid van een eventuele geldboete, die pas in een afzonderlijke procedure kan worden opgelegd aan een dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd?

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

a. Moeten artikel 56 VWEU en richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat een binnenlandse opdrachtgever een stopzetting van betaling en de betaling van een waarborgsom gelijk aan het nog verschuldigde bedrag oplegt, wanneer de in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde dienstverrichter aan wie een geldboete moet worden opgelegd in de procedure waarin de betaling van een waarborgsom wordt opgelegd niet beschikt over een beroepsmogelijkheid tegen de oplegging daarvan en het bezwaar van de binnenlandse opdrachtgever tegen dit besluit geen opschortende werking heeft?

b. Moeten artikel 56 VWEU en richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat een binnenlandse opdrachtgever een stopzetting van betaling en de betaling van een waarborgsom gelijk aan het nog verschuldigde bedrag oplegt, alleen omdat de dienstverrichter in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd?

c. Moeten artikel 56 VWEU en richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat een binnenlandse opdrachtgever een stopzetting van betaling en de betaling van een waarborgsom gelijk aan het nog verschuldigde bedrag oplegt, ofschoon het aan de dienstverrichter verschuldigde bedrag nog niet opeisbaar is en de hoogte van het definitieve bedrag wegens tegenvorderingen en rechten van retentie nog niet vaststaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-518/09 CIE/POR; C-577/10 CIE/BEL;

Specifiek beleidsterrein: EZ, SZW