C-34/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   23 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       09 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   09 mei 2017

Trefwoorden: wederzijdse bijstand bij invordering schulden; doeltreffende voorziening in rechte;

Onderwerp: - Verdrag van ’s-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en in handelszaken;

- EVRM artikelen 6 en 13; Handvest grondrechten artikel 47 (doeltreffende voorziening in rechte);
- richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen.

Verzoeker is vrachtwagenchauffeur voor TLT (IER). Hij krijgt 27-07-2002 opdracht om in GRI olijfolie op te halen voor levering aan Lidl/IER. Op de terugweg wordt zijn vracht 27-07-2002 in Patras/GRI gecontroleerd waarbij sigaretten worden aangetroffen. Verzoeker wordt aangehouden en gevangen gezet, voertuig en lading zijn in beslag genomen. Hij wordt zonder enige steun van zijn werkgever, alleen bijgestaan door een douanebeambte als vertaler veroordeeld tot drie jaar (voor smokkel) en één jaar voor de belastingen. Hij gaat in beroep en wordt vrijgesproken. In die procedure wordt hij wel door zijn werkgever, de IERamb en advocaten bijgestaan. Op 21-11-2003 oordeelt de hoogste GRI rechter tot teruggave van het voertuig, maar TLT heeft het niet ontvangen. In juni 2009 zendt GRIamb in IER een brief met uitnodiging aan ene Donellan om hem documenten te overhandigen van GRI MinFIN, maar die brief is (zo bevestigt de rechter) door verkeerde tenaamstelling nooit bij verzoeker aangekomen. De brief bevat een geldboete die verzoeker na de vrijspraak is opgelegd. Deze documenten waren toen alleen in GRI beschikbaar. Verzoeker ontvangt 15-11-2012 een brief van de IER belastingdienst tot betaling van € 1.507.971,88. In de toelichting is vermeld dat inning plaatsvindt op grond van de uniforme executoriale titel van schuldvorderingen die onder RL 2010/24 vallen. Tussen begin 2013 en mei 2014 is gecorrespondeerd tussen IER belastingAut (verweerster) en verzoekers advocaten om de zaak op te helderen en (vergeefs) getracht tenuitvoerlegging te voorkomen. Verzoeker stelt beroep in tegen de tenuitvoerlegging in IER op 11-06-2014. Verweerster stelt dat verzoeker in GRI had moeten procederen. Op 14-06-2016 wordt een deskundige van het GRI publiekrecht gehoord (naar aanleiding van zijn eerdere inbreng in de procedure) die te kennen geeft dat een procedure in GRI geen nut (meer) heeft. De GRI RvS heeft in 2012 in twee zaken geoordeeld dat de vereisten voor de betekening en de kennisgeving van stukken in het buitenland krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage niet toepasselijk zijn op gevallen zoals de betekening aan verzoeker in deze procedure. Dat betekent dat krachtens het GRI administratieve stelsel de hier gevolgde procedure voldoende en bindend was. De GRI RvS oordeelde tevens dat daarmee geen schending van het recht op een eerlijk proces plaatsvond.

De verwijzende IER rechter (Hooggerechtshof) leest in artikel 14.2 van RL 2010/24 geschillen in verband met de in de aangezochte LS genomen executiemaatregelen aanhangig kunnen worden gemaakt bij de bevoegde instantie van die LS. Hij heeft kennis genomen van het arrest C-233/08 waar beide partijen zich op beroepen ter ondersteuning van hun standpunt. Hij concludeert dat op grond van IER recht het verzuim om verzoeker in de gelegenheid te stellen om deel te nemen aan (de in GRI gevoerde) procedure tenuitvoerlegging in IER in de weg staat. Hij vraagt zich af of RL 2010/24/EU hem belet verzoeker te beschermen door de tenuitvoerlegging te verbieden van de in de brief van 14-11-2012 van verweerster opgenomen vordering, die is ontleend aan de beslissing van de GRIaut van 27-04-2009 in verband met vermeende smokkel van sigaretten in juli 2002, van de strafrechtelijke aanklacht waarvan is vrijgesproken.Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

„Staat artikel 14, leden 1 en 2, van richtlijn 2010/24/EU eraan in de weg dat bij de vaststelling of een “uniforme titel voor het nemen van executiemaatregelen”, die is uitgevaardigd op 14 november 2012 door het douanekantoor te Patras wegens administratieve geldboetes ten bedrage van 1 097 505,00 EUR, opgelegd op 15 juli 2009 wegens vermeende smokkel op 26 juli 2002 [, en verhoogd tot 1 507 971,88 EUR wegens rente en geldboetes] [omissis] in Ierland ten uitvoer kan worden gelegd, de High Court van Ierland:

(i) het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, binnen een redelijke termijn, voor een burger van Ierland en van de Europese Unie toepast in verband met het verzoek om tenuitvoerlegging [(zie artikel 47 van het Handvest en de artikelen 6 en 13 van het EVRM, die overeenkomen met rechten voor burgers krachtens de artikelen 3438 en 40, lid 3, van de Ierse grondwet), in omstandigheden waar de betrokken procedure pas voor het eerst aan [verzoeker] is uiteengezet in een ‚niet-officiële vertaling’ in de Engelse taal (een officiële taal van Ierland, waar [verzoeker] altijd woonachtig is geweest) van een brief van [29 december 2015] van het ministerie van Financiën van de Helleense Republiek te Piraeus aan de Ierse Revenue en de advocaten van [verzoeker] in Ierland];

(ii) de doelstellingen van richtlijn 2010/24/EU om wederzijdse bijstand te verschaffen (overweging 20 van richtlijn 2010/24) in aanmerking neemt en zich houdt aan de verplichting tot het verstrekken van ruimere bijstand uit hoofde van het EVRM (overweging 17 van richtlijn 2010/24), zoals het recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor burgers op grond van artikel 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM;

(iii) rekening houdt met de volle werking van het gemeenschapsrecht voor de burgers ervan, [en met name met punt 63 van [het arrest van 14 januari 2010, Kyrian, C-233/08, EU:C:2010:11]?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: D-233/08 Kyrian

Specifiek beleidsterrein: VenJ, FIN