C-347/17 A

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    2 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    19 september 2017

Trefwoorden: volksgezondheid; voedselveiligheid; nultolerantienorm;

Onderwerp: - Verordening (EG) Nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari
2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor
Voedselveiligheidsaangelegenheden;
- Verordening (EG) Nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne;
- Verordening (EG) Nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong;
- Verordening (EG) Nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april
2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;
- Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor  menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong.

Feiten:

Het gaat in deze handhavingszaken om boetes die verweerder aan pluimveeslachterijen heeft opgelegd omdat bij controle door de NVWA zou zijn gebleken dat karkassen van pluimvee verontreinigd waren. De centrale vraag is of er een zogenoemde “nultolerantienorm” geldt, dus dat na het schoonmaken geen enkele zichtbare verontreiniging meer aanwezig mag zijn op een pluimveekarkas. Als deze nultolerantienorm geldt, dan rijst de vraag op welk moment in het slachtproces de NVWA daarop mag controleren en op welke wijze.

Bij (de primaire) besluiten van 27-11-2015, 11-12-2015 en 18-12-2015 hebben de eisers (A, B, C, D, E, F, en G) boetes opgelegd gekregen van elk €2.500,- door de verweerder (de Staatssecretaris van Economische Zaken). Vervolgens heeft de verweerder bij (de bestreden) besluiten de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze bestreden besluiten.

Overweging:

Het is onduidelijk of uit verordening 853/2004 de norm volgt (en duidelijk is) zoals verweerder die hanteert (er mag geen enkele zichtbare verontreiniging met gal, feces of krop inhoud op het karkas aanwezig zijn, de nultolerantienorm). Zo ja, dan is nog onduidelijk of die norm ook al geldt op de plaats in het slachtproces waar verweerder de controles uitvoert. Ook is onduidelijk of de wijze van controleren van de karkassen in overeenstemming is met verordening 854/2004. Deze onduidelijkheden nopen de rechtbank tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

1.         Moeten de voorschriften van Bijlage III, sectie II, hoofdstuk IV, punt 5 en punt 8, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Pb EU L 139 van 30 april 2004) aldus worden opgevat dat een pluimveekarkas na verwijdering van de ingewanden en het schoonmaken geen enkele zichtbare verontreiniging meer mag bevatten?

2.         Zien de voorschriften van Bijlage III, sectie II, hoofdstuk IV, punt 5 en punt 8, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Pb EU L 139 van 30 april 2004) op verontreiniging door zowel feces, gal, als kropinhoud?

3.         Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet het voorschrift van Bijlage III, sectie II, hoofdstuk IV, punt 8, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Pb EU L 139 van 30 april 2004) dan zo worden uitgelegd dat het schoonmaken direct na verwijdering van de ingewanden moet plaatsvinden of mag op basis van dit voorschrift het verwijderen van zichtbare verontreiniging ook nog tijdens het koelen of uitsnijden of bij het verpakken plaatsvinden?

4.         Staat Bijlage I, sectie I, hoofdstuk II, paragraaf D, onder 1, van Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (Pb EU L 139 van 30 april 2004) toe dat de bevoegde autoriteit bij de controle karkassen van de slachtlijn haalt, en zowel de buitenzijde als de binnenzijde en onder het vetweefsel controleert op zichtbare verontreiniging?

5.         Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en er dus zichtbare verontreiniging op een pluimveekarkas mag achterblijven, hoe moeten dan de voorschriften van punt 5 en 8 in Bijlage III, sectie II, hoofdstuk IV, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Pb EU L 139 van 30 april 2004) worden uitgelegd? Op welke wijze wordt dan het doel van deze Verordening, namelijk het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, bereikt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: EZ; VWS