C-350/17 en C-351/17 Mobit e.a.

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    4 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    21 september 2017

Trefwoorden: aanbesteding; moedervennootschap; mededinging

Onderwerp: - Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007  betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (hierna: verordening);
- Interpretatieve richtsnoeren van de Europese Commissie (PB C 92 van 29 maart 2014).

Feiten:

De context van C-351/17 is feitelijk en rechtens analoog aan zaak C-350/17 en de prejudiciële vragen zijn identiek.

Verzoeker (Mobit), een consortiumvennootschap waarin meerdere in de vervoersector werkzame ondernemingen zijn samengebracht, heeft beroep ingesteld tegen de definitieve gunning aan Autolinee in een door verweerder (Regione Toscana) uitgeschreven aanbestedingsprocedure bij de bestuursrechter in eerste aanleg. Autolinee stelde incidenteel beroep in vorderend dat de offerte van verzoeker van de aanbesteding werd uitgesloten. Aan de zijde van verweerder intervenieerde de RATP (overheidsinstelling opgericht door en onder zeggenschap van Frankrijk die uiteindelijk zeggenschap uitoefent over Autolinee). De bestuursrechter in eerste aanleg wees bij vonnis het principale en het incidentele beroep toe en hij verklaarde de bestreden handelingen, en meer in het bijzonder de gunning aan Autolinee nietig omdat de offerte van deze laatste, net als die van verzoeker, niet aan de vereisten van het bestek voldeed. Verzoeker stelde tegen dit vonnis beroep in bij de Consiglio di Stato, en voerde daarbij aan dat het moet worden vernietigd wegens schending van artikelen 2, 5 en 8 van de verordening.

Het verbod om aan extra-moenia-aanbestedingen deel te nemen is volgens verzoeker op Autolinee van toepassing omdat de Franse staat aan RATP bij wet de opdracht tot levering van personenvervoerdiensten in de regio Parijs onderhands heeft gegund. Volgens verzoeker moet RATP derhalve worden aangemerkt als interne exploitant in de zin van de verordening die volledige zeggenschap uitoefent.

Regione Toscana en Autolinee betogen daarentegen dat RATP niet als interne exploitant kan worden aangemerkt, omdat de lokale openbare vervoersdienst binnen het grondgebied van Parijs niet wordt verleend aan de Franse overheid, maar aan STIF (Syndicat des Transports d’Île de France).

Overweging:

De vraag betreft of begunstigden van onderhandse opdrachten voor de verlening van openbaarvervoersdiensten, inzonderheid indien deze vóór de inwerkingtreding van de verordening zijn gegund, mogen deelnemen aan aanbestedingen met betrekking tot andere grondgebieden dan die waarin zij reeds in een bevoordeelde situatie zonder mededinging werkzaam zijn (zogenaamde extra-moenia-aanbestedingen). Volgens de Consiglio di Stato is deze kwestie niet onomstreden en moet zij worden opgelost door een systematische uitlegging van de betrokken verordening en de algemene beginselen van Europees (mededingings)recht, en niet, zoals de rechter in eerste aanleg heeft gedaan, tegen de achtergrond van de nationale uitvoeringsregeling.

Prejudiciële vragen:

1. „Is artikel 5, lid 2 van verordening (EG) nr. 1370/2007 [inzonderheid het verbod voor interne exploitanten om deel te nemen aan extra-moenia-aanbestedingen als bedoeld onder b) en d)] eveneens van toepassing op opdrachten die vóór de inwerkingtreding van die verordening zijn gegund?

2. Kan een publiekrechtelijke rechtspersoon waaraan de nationale overheid lokale vervoersdiensten onderhands heeft gegund in abstracte zin worden gekwalificeerd als interne exploitant – in de zin van deze verordening en eventueel naar analogie van de ratio van de rechtspraak op het gebied van in-house-opdrachten – indien deze rechtspersoon in organisatorisch opzicht en qua zeggenschap rechtstreekse banden heeft met die overheid en zijn maatschappelijk kapitaal – volledig of, indien samen met andere openbare lichamen, pro quota – in handen van de staat is?

3. Is in geval van een onderhandse gunning van door verordening (EG) nr. 1370/2007 geregelde diensten, het feit dat de voornoemde nationale overheid na de gunning een bestuursorgaan opricht met organisatorische bevoegdheden ten aanzien van deze diensten – terwijl de staat uitsluitend bevoegd blijft om over de gunning te beslissen en dat orgaan over de begunstigde van de onderhands gegunde diensten geen zeggenschap zoals over haar eigen diensten uitoefent – een omstandigheid op grond waarvan de betrokken gunning aan de regeling van artikel 5, lid 2, van de verordening kan worden onttrokken?

4. Indien de oorspronkelijke looptijd van een onderhandse gunning de termijn van 30 jaar tot 3 december 2039 [te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1370/2007] overschrijdt, heeft dit dan tot gevolg dat de gunning hoe dan ook niet in overeenstemming is met de beginselen als bedoeld in de artikelen 5 en 8, lid 3, van de verordening, in onderlinge samenhang gelezen, of moet dit gebrek worden geacht rechtens in alle opzichten automatisch te worden gecorrigeerd doordat deze termijn impliciet ‚ex lege’ (artikel 8, lid 3, tweede alinea) wordt gereduceerd tot 30 jaar?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: EZ
 

Gerelateerde documenten