C-367/17 S

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    4 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    21 september 2017

Trefwoorden: merken; voedselveiligheid; beschermde geografische aanduiding

Onderwerp: - Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen;
-           Verordening (EG) nr. 123/97 van de Commissie van 23 januari 1997 tot aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92;
-           Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen;
-           Verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie van 14 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 510/2006;
-           Verordening (EU) nr. 931/2011 van de Commissie van 19 september 2011 inzake de traceerbaarheidsvoorschriften die bij verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgesteld;
-           Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen;
-           Uitvoeringsverordening (EU) nr. 561/2013 van de Commissie van 14 juni 2013 houdende goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Feiten:

Op verzoek van de aanvrager (S) is de benaming “Schwarzwälder Schinken” (hierna: SWS) bij verordening nr. 123/97 sinds 25 januari 1997 geregistreerd als beschermde geografische aanduiding (hierna: BGA) voor “vleeswaren”. De aan de aanvraag ten grondslag liggende omschrijving bevatte geen voorschriften betreffende het versnijden en verpakken van het beschermde product. Verzoeker vroeg om een wijziging van het productdossier betreffende de BGA van SWS op grond waarvan het in plakken snijden en verpakken van de SWS alleen nog kon worden verricht in het productiegebied ervan. Tegen deze voorgenomen wijziging werden drie bezwaren ingediend. Het Duitse patentbureau heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen stellende dat de aanvraag niet in overeenstemming was met verordening 510/2006. Ingevolge het door verzoeker tegen deze beslissing ingestelde beroep heeft de onderhavige rechterlijke instantie de beslissing van het patentbureau vernietigd en vastgesteld dat het verzoek om wijziging wel voldeed aan de vereisten van verordening 510/2006. De derde opposant is daartegen opgekomen via een “Rechtsbeschwerde” bij het Bundesgerichtshof, die de beslissing van de verwijzende rechter heeft vernietigd en de zaak naar hem heeft terugverwezen, op grond dat het recht op hoor en wederhoor van de derde opposant zou zijn geschonden. In het kader van de procedure na die terugverwijzing verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van het toepasselijke Unierecht.

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich om te beginnen af op basis van welke bepalingen het verzoek om wijziging moet worden afgedaan. Het oorspronkelijke verzoek om wijziging werd weliswaar ingediend op 23 maart 2005, toen deze verordening nog van kracht was, maar dit verzoek werd in februari 2007 aanzienlijk gewijzigd, waardoor kan worden overwogen om de op dat tijdstip geldende verordening nr. 510/2006 toe te passen. De tweede vraag heeft betrekking op de in het verzoek om wijziging aangevoerde redenen voor het beperken van de verrichtingen betreffende het in plakken snijden en verpakken van SWS tot het productiegebied, vanuit het oogpunt van de kwaliteitsbewaking van het product. De onderhavige zaak verschilt daarin van C-108/01 omdat in C-108/01 niet alle hammen die conform het productdossier waren, worden versneden, maar alleen hammen die voldeden aan bepaalde strengere aanvullende voorwaarden. Indien de vragen 2.1 tot en met 2.3 door het Hof bevestigend worden beantwoord, is het ingediende verzoek om wijziging van het productdossier in wezen afdoende gemotiveerd. In dat geval rijst nog de vraag of er geen minder vergaande maatregel dan het verplicht versnijden en verpakken in het productiegebied ter beschikking staat.

Prejudiciële vragen:

1) Moet een besluit betreffende een op 15 februari 2007 bij de bevoegde nationale autoriteit (in casu: Deutsche Patent- und Markenamt) [Duitse octrooi- en merkenbureau] ingediend verzoek tot wijziging van het productdossier van een beschermde geografische aanduiding, waarbij met name wordt beoogd dat het in plakken snijden en verpakken van het betrokken product (in casu: Schwarzwälder Schinken) [zwarte woud-Ham] enkel in het productiegebied mag worden verricht, worden vastgesteld krachtens verordening nr. 510/2006, die op het tijdstip van de indiening van de aanvraag van toepassing was, dan wel op basis van verordening nr. 1151/2012, die thans van kracht is op het tijdstip waarop het besluit moet worden genomen? 2) Indien het besluit krachtens de thans geldende verordening nr.1151/2012 moet worden vastgesteld:

2.1 a) Levert de omstandigheid dat het onoordeelkundige vervoer van het product naar andere gebieden met het oog op de latere verwerking ervan (in plakken snijden en verpakken) schadelijke gevolgen kan hebben voor de authentieke smaak, de authentieke kwaliteit en de houdbaarheid van dit product, vanuit het oogpunt van de kwaliteitsbewaking een afdoende en productspecifieke motivering op in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), van verordening nr. 1151/2012 om het in plakken snijden en verpakken van het betrokken product enkel in het productiegebied toe te staan?

2.1 b) Leveren de in het productdossier vastgestelde vereisten betreffende het in plakken snijden en verpakken van het product, die niet verder gaan dan de op het gebied van levensmiddelenhygiëne geldende normen, vanuit het oogpunt van de kwaliteitsbewaking een afdoende en productspecifieke motivering op in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), van verordening nr. 1151/2012 om het in plakken snijden en verpakken van dat product enkel in het productiegebied toe te staan?

2.2 a) Kan het, met betrekking tot de in het productdossier betreffende een beschermde geografische aanduiding opgelegde regel volgens welke het in plakken snijden en verpakken van het product enkel in het productiegebied ervan mag worden verricht, in beginsel als een afdoende en productspecifieke motivering in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), van verordening nr. 1151/2012 worden beschouwd dat in dat geval (productie-)controles in het productiegebied mogelijk zijn (artikel 7, lid 1, onder g), juncto artikel 36, lid 3, onder a), en artikel 37 verordening nr. 1151/2012) die vaker kunnen worden verricht en die in de regel grotere garanties bieden dan (misbruik-)controles in de zin van artikel 36, lid 3, onder b), juncto artikel 38 van verordening nr. 1151/2012?

2.2 b) Indien de vraag sub 2.2 a) ontkennend wordt beantwoord: Is een andere benadering gerechtvaardigd wanneer het gaat om een product waarvoor interregionaal een grote vraag bestaat en waarvan grote hoeveelheden buiten het productiegebied worden versneden en verpakt, ook al werden tot hiertoe geen concrete gevallen van misbruik van de beschermde geografische aanduiding in de zin van artikel 13 van verordening nr.1151/2012 vastgesteld?

2.3 Kan het, met betrekking tot de in het productdossier betreffende een beschermde geografische aanduiding opgelegde regel volgens welke het in plakken snijden en verpakken van het product enkel in het productiegebied ervan mag worden verricht, als een afdoende en productspecifieke motivering in de zin van artikel 7, lid 1, onder e),

van verordening nr. 1151/2012 worden beschouwd dat zonder deze verplichting de traceerbaarheid van het nog te verwerken product niet meer volledig kan worden gewaarborgd? Is het in deze context relevant dat:

a)         de traceerbaarheid van levensmiddelen, inzonderheid die van dierlijke oorsprong, moet worden gewaarborgd volgens artikel 18, lid 1, van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, in samenhang gelezen met verordening (EU) nr. 931/2011 van de Commissie van 19 september 2011 inzake de traceerbaarheidsvoorschriften die bij verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgesteld;

b)         de traceerbaarheid van het product moet worden gewaarborgd middels de deelneming van de marktdeelnemers die het product nadien verwerken aan rechtens vrijwillige doch in de praktijk bindende particuliere garantiestelsels?

2.4) Indien de vragen sub 2.1 tot en met 2.3 bevestigend worden beantwoord: Kan of moet met betrekking tot het productdossier betreffende een beschermde geografische aanduiding erin worden voorzien dat – bij wege van een ten opzichte van het verplicht terugbrengen van het product voor het in plakken snijden en verpakking ervan naar het productiegebied minder vergaande maatregel – de buiten het productiegebied gevestigde verwerkers van het product ter zake moeten worden onderworpen aan een controle die wordt verricht door het volgens het productdossier voor de in het productiegebied voor verificaties bevoegde autoriteiten en organen (artikel 7, lid 1, onder g), van verordening nr. 1151/2012)?

3) Indien het besluit krachtens verordening nr. 510/2006 moet worden vastgesteld (zie vraag 1), verzoekt de verwijzende rechter om beantwoording van de sub 2 gestelde vragen op basis van verordening nr. 510/2006, inzonderheid artikel 4, lid 2, onder e), van deze verordening, juncto artikel 8 en overweging 8 van verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie van 14 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen.


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: BHIM/BORCO C-265/09 P; Klein Trademark Trust/BHIM C-254/09 P; Consorzio del Prosciutto di Parma und Salumificio S. Rita C-108/01.

Specifiek beleidsterrein: VWS, EZ
 

Gerelateerde documenten