C-369/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    14 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    30 september 2017

Trefwoorden: asiel; strafrecht; immigratie

Onderwerp: - Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming;

Feiten:

De Dienst Immigratie en Nationaliteit (voorganger van de huidige Dienst Immigratie en Asiel, hierna: verweerder) verleende op 13-10-2000 aan verzoeker de vluchtelingenstatus omdat verzoekers vader een hoge militaire functionaris was geweest, waardoor verzoeker in zijn vaderland werd vervolgd. Verzoeker is een Afghaans staatsburger. In 2014 startten de autoriteiten ambtshalve een procedure tot herziening van die status, aangezien verzoeker in een tegen hem ingestelde strafzaak had aangegeven dat hij wilde dat het consulaat van de Islamitische Republiek Afghanistan volledig zou worden geïnformeerd. Op 04.11.2014 trok verweerder de vluchtelingenstatus in op grond dat er geen sprake was van vervolging en dat verzoeker de bescherming van zijn land van herkomst vrijwillig had ingeroepen. Gelet op het voorgaande diende verzoeker in 2015 een tweede asielaanvraag in, die door de autoriteiten wederom werd afgewezen bij besluit van 09.12.2015. Het tegen dat besluit ingestelde beroep heeft geleid tot vernietiging van het bestreden besluit door de hoofdstedelijke bestuurs-en arbeidsrechter, waarna de administratieve procedure is gestart waarop de onderhavige bestuursrechtelijke procedure betrekking heeft. Bij besluit van 10.10.2016 wees verweerder het verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus en het verzoek om toekenning van de subsidiaire-beschermingsstatus af, maar werd tevens aangegeven dat een verbod tot uitzetting gold. Wat subsidiaire bescherming betrof, waren de autoriteiten van mening dat de in de Hongaarse asielwetgeving opgenomen uitsluitingsgrond zich voordeed, aangezien verzoeker een misdrijf had gepleegd waarop naar Hongaars recht een gevangenisstraf van vijf jaar of meer is gesteld. Verzoeker komt in de bestuursrechtelijke procedure omtrent asiel bij de verwijzende rechter op tegen de afwijzing van zijn verzoek om toekenning van de subsidiaire-beschermingsstatus.

Overweging:

In de Hongaarse wettelijke regeling worden dezelfde bewoordingen gebezigd voor de uitsluiting van vluchtelingschap en de uitsluiting van subsidiaire bescherming (waarop [...] een gevangenisstraf van vijf jaar of meer is gesteld), terwijl in de richtlijn verschillende criteria worden gehanteerd voor de uitsluiting van vluchtelingschap enerzijds en de uitsluiting van subsidiaire bescherming anderzijds. In de zaken B en D heeft het Hof zich reeds uitgelaten over de uitsluiting van vluchtelingschap. In deze zaak is echter de uitsluiting van subsidiaire bescherming aan de orde.

Prejudiciële vragen:

Volgt uit de woorden „dat [...] hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd” in artikel 17, lid 1, onder b), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming dat de straf die bij wet op een specifiek misdrijf is gesteld overeenkomstig het recht van een lidstaat, het enige criterium kan zijn om te bepalen of de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd op grond waarvan hij kan worden uitgesloten van subsidiaire bescherming?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: B en D C-57/09 en C-101/09.

Specifiek beleidsterrein: VenJ, VenJ-dmb