C-375/17 Stanley International Betting et Stanleybet Malta

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    10 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    27 september 2017

Trefwoorden: kansspelen; vrijheid van vestiging; transparantie; mededinging; diensten

Onderwerp: - VWEU (artikel 49 en 56 en verder)
-           Opslaan Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten Voor de EER relevante tekst

Feiten:

Voor de exploitatie van het lottospel zijn er twee soorten concessies:
-           die voor de verkoop ervan, die is voorbehouden aan kleinhandelaren in monopolieproducten,
-           en die voor trekkings-, combinatie- en automatiseringsdiensten, die tot nog toe is toegewezen aan de onderneming Lottomatica.
Deze laatste concessie stond op het punt af te lopen, dus heeft de wetgever de Agenzia delle Dogane e dei Monopoli (hierna: ADM) belast met het uitschrijven van een aanbesteding voor de gunning van een nieuwe concessie. De aankondiging van de nieuwe concessie, bekendgemaakt op 21-12-2015, vermeldt een aantal essentiële voorwaarden waardoor de aanbesteding volgens appellanten neerkomt op het zogeheten monoprovidingmodel. Volgens appellanten is de bijzondere aanbestedingswet gemaakt op maat van Lottomatica, waaraan de concessie al bijna 20 jaar rechtstreeks is gegund, zonder selectieprocedure, en ten gunste waarvan die concessie ook stilzwijgend werd verlengd. Appellanten hebben zich tot de bestuursrechter in eerste aanleg gewend met het verzoek de aankondiging van de concessie en de besluiten van de ADM nietig te verklaren op grond dat het daarbij gaat om discriminerende en mededinging verstorende handelingen. Bij vonnis van 21.04.2016 heeft de bestuursrechter in eerste aanleg dit beroep verworpen. Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

Overweging:

Volgens de Consiglio di Stato kunnen de prejudiciële vragen aan het Hof worden voorgelegd met het oog op een prejudiciële beslissing aangezien zij duidelijk relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding en de leer van de acte clair er niet op van toepassing is.

Prejudiciële vragen:

1) Moet het Unierecht – in het bijzonder de vrijheid van vestiging en van dienstverrichting alsook de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrije mededinging, evenredigheid en coherentie – aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling als die van artikel 1, lid 653, van de stabiliteitswet 2015 en de uitvoeringsbesluiten daarvan, die voorziet in een monoprovidingmodel voor de concessie van de exploitatie van het lottospel, anders dan voor andere kansspelen en weddenschappen?

2) Moet het Unierecht – in het bijzonder de vrijheid van vestiging en van vrije dienstverrichting, richtlijn 2014/23/EU en de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrije mededinging, evenredigheid en coherentie – aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een aankondiging van een concessie die voorziet in een basisaanbestedingswaarde die veel te hoog is en ongerechtvaardigd gelet op de vereisten inzake economisch-financiële draagkracht en technisch-organisatorische bekwaamheid, zoals die welke zijn opgenomen in de punten 5.3, 5.4, 11, 12.4 en 15.3 van het bestek van de aanbesteding van de concessie van het lottospel?

3) Moet het Unierecht – in het bijzonder de vrijheid van vestiging en van vrije dienstverrichting, richtlijn 2014/23/EU en de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrije mededinging, evenredigheid en coherentie – aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling die een de facto keuze opdringt tussen het binnenhalen van een nieuwe concessie enerzijds en het vrij blijven verrichten van diverse, grensoverschrijdende weddenschapsdiensten anderzijds – een keuze als die welke resulteert uit artikel 30 van de modelovereenkomst –, zodat het besluit om in te schrijven op de aanbesteding van de nieuwe concessie voor de succesvolle inschrijver meebrengt dat hij moet afzien van zijn grensoverschrijdende activiteiten, hoewel het Hof van Justitie meermaals heeft geoordeeld dat die activiteiten rechtmatig zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-375/14; C-186/11 en C-209/11.

Specifiek beleidsterrein: EZ
 

Gerelateerde documenten