C-378/17 The Minister for Justice and Equality & Commissioner of the Garda Síochána

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    7 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    24 september 2017

Trefwoorden: bevoegdheid; discriminatie; gelijke behandeling

Onderwerp: - richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (hierna: richtlijn)

Feiten:

Interveniënten hebben bij een overheidsorgaan (Equality Tribunal) een klacht ingediend met betrekking tot de maximumleeftijd in het kader van aanwervingen bij de nationale politie (An Garda Síochána). Interveniënten voerden aan dat de maximumleeftijd neerkomt op ongeoorloofde discriminatie in de zin van de richtlijn en de Ierse uitvoeringsmaatregelen daarvan. Opgemerkt moet worden dat ingevolge een wetswijziging uit 2015 de taken van de Equality Tribunal zijn overgedragen aan de Workplace Relations Commission (hierna: de commissie). De wijziging is niet van belang voor het hoofdgeding.

De verzoeker (de minister van Justitie, Gelijkheid en Herziening van wetgeving) betoogde voor de Equality Tribunal dat laatstgenoemde niet bevoegd was om de klachten in behandeling te nemen omdat de maatregel waarbij de maximumleeftijd werd opgelegd, een bepaling van afgeleide nationale wetgeving was, waardoor slechts de krachtens de Ierse grondwet ingestelde rechterlijke instanties werden geacht bevoegd te zijn om een dergelijke bepaling buiten toepassing te laten. De (toenmalige) Equality Tribunal verklaarde de klachten van interveniënten te zullen behandelen en ging tevens akkoord om in het kader van die procedure de door de minister opgeworpen bevoegdheidskwestie te onderzoeken en af te doen. De minister was het niet eens met die beslissing en verzocht daarop de High Court (rechter in eerste aanleg) om een “bevel tot staking” uit te vaardigen; een type beschikking dat de High Court kan geven en dat ertoe leidt dat een officiële persoon of instantie zich moet onthouden van handelen dat volgens de Court in strijd is met de wet. Tegen de tijd dat de Supreme Court de zaak in behandeling nam, was de Equality Tribunal de commissie geworden.

Overweging:

Het is de Supreme Court bekend dat het Hof van Justitie zich recentelijk (Salaberria Sorondo C-258/15) moest uitspreken over de kwestie van maximumleeftijden in het kader van aanwervingen bij de politie. Het Hof van Justitie kwam in zijn arrest in die zaak tot het oordeel dat een maximumleeftijd van 35 in de omstandigheden van de betrokken zaak toelaatbaar was. Hoewel het oordeel van het Hof van Justitie in die zaak een afdoende antwoord biedt op de wezenlijke vragen die het voorwerp waren van de klachten bij de Equality Tribunal, merkt de Court op dat het in de zaak Sorondo noodzakelijk werd geacht om de specifieke voorwaarden te onderzoeken die op de betrokken politiedienst van toepassing waren, waardoor kan worden gesteld dat het Hof van Justitie in beginsel een maximumleeftijd in het kader van aanwervingen bij politiediensten niet goedkeurde maar, gelet op de feiten van dat individuele geval, van oordeel was dat de maximumleeftijd bij de betrokken politiedienst was gerechtvaardigd.

Prejudiciële vragen:

Indien:
a) een bij wet ingesteld nationaal overheidsorgaan beschikt over een algemene bevoegdheid die hem is toegedeeld voor onder andere handhaving van het Unierecht op een specifiek gebied;
b) een dergelijk overheidsorgaan volgens het nationale recht in een beperkt aantal zaken waarin een doeltreffende voorziening slechts kan worden genomen door een nationale wettelijke regeling op basis van nationaal of Europees recht buiten toepassing te laten, niet bevoegd is, en
c) bevoegde nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om passende beslissingen te nemen, waarbij een nationale wettelijke regeling buiten toepassing wordt gelaten, nodig om de conformiteit met de betrokken Unierechtelijke bepaling te waarborgen, zij bevoegd zijn om zaken te behandelen waarin een dergelijke maatregel nodig was, en zij bevoegd zijn om in dergelijke zaken alle door het Unierecht vereiste maatregelen te nemen en waarbij overeenkomstig de rechtspraak van het Hof is gebleken dat de maatregel van de rechterlijke instanties voldoet aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid,

moet het betrokken overheidsorgaan dan niettemin worden geacht bevoegd te zijn om zich uit te spreken over een klacht wegens schending van het toepasselijke Unierecht door een nationale wettelijke regeling en om, indien die klacht gegrond wordt verklaard, die wettelijke regeling buiten toepassing te laten, niettegenstaande het feit dat het nationale recht de bevoegdheid voor alle zaken waarin de geldigheid van een wettelijke regeling om een of andere reden wordt betwist of waarin wordt verzocht om een wettelijke regeling buiten toepassing te laten, niet aan het betrokken overheidsorgaan toekent maar aan een krachtens de Ierse grondwet ingestelde rechterlijke instantie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: - Salaberria Sorondo C-258/15

Specifiek beleidsterrein: VenJ; BZK