C-379/17 Società Immobiliare Al Bosco

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    9 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    26 september 2017

Trefwoorden: procesrecht; tenuitvoerlegging; civiel recht; conservatoir beslag

Onderwerp: - Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: verordening)

Feiten:

Verzoeker (Società Immobiliare Al Bosco) is een vennootschap naar Italiaans recht met de rechtsvorm van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Op 19-11-2013 kreeg verzoeker van de Italiaanse rechter in eerste aanleg een conservatoir beslag tegen schuldenaar (Gunter Hober). Hierdoor werd verzoeker gemachtigd om het conservatoir beslag tot €1.000.000,- uit te voeren op (on)roerende goederen, (im)materiële activa en schuldvorderingen van de schuldenaar. Bij beschikking van 22-08-2014 verklaarde de Duitse rechter in eerste aanleg de beslissing in Duitsland uitvoerbaar.

Op 23-04-2015 verzocht verzoeker om inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van schuldvordering op de in Duitsland gelegen onroerende goederen van de schuldenaar. De inschrijving werd afgewezen en het beroep dat verzoeker daarop instelde werd ongegrond verklaard door de appelrechter. Volgens de appelrechter staat het verstrijken van de in §929 lid 2 van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke procesvordering; hierna: ZPO) gestelde uitvoeringstermijn van één maand in de weg aan de gevorderde inschrijving. Aangezien het conservatoir beslag naar Italiaans recht te vergelijken is met een Duits beslagbevel, moeten de hierop toepasselijke procedureregels, dus ook §929 lid 2 ZPO, in acht worden genomen.

Overweging:

De verwijzende rechter kan niet met de vereiste overtuiging antwoorden op de vraag of het met artikel 38 lid 1 van de verordening verenigbaar is dat een in het recht van de aangezochte staat gestelde termijn (zoals §929 lid 2 ZPO), op grond waarvan een titel (in casu een beslagbevel) na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, ook wordt toegepast op een functioneel vergelijkbare titel die in een andere lidstaat is afgegeven en in de aangezochte staat is erkend en uitvoerbaar is verklaard. Het blijkt onvoldoende duidelijk of een bepaling zoals §929 lid 2 ZPO verband houdt met de uitvoerbaarheid van de titel die overeenkomstig artikel 38 van de verordening valt onder het recht van de staat waar de beslissing wordt gegeven, of dat die bepaling moet worden aangemerkt als een norm van de lex fori op het gebied van het tenuitvoerleggingsrecht.

Prejudiciële vragen:

Is het in overeenstemming met artikel 38, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, wanneer een in het recht van de aangezochte staat gestelde termijn, op grond waarvan een titel na verloop van een bepaalde periode niet meer mag worden ten uitvoer gelegd, ook wordt toegepast op een functioneel vergelijkbare titel die in een andere lidstaat is afgegeven en in de aangezochte staat is erkend en uitvoerbaar is verklaard?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: CILFIT/Ministero della Sanità C-283/81; Capelloni en Aquilini/Pelkmans, C-119/84 ; Coursier C-267/97; Apostolides/Orams C-420/07; Hoffmann/Krieg C-145/86; Prism Investments C-139/10; Morson C-35/82.

Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten