C-385/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    10 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    27 september 2017

Trefwoorden: arbeidstijden; CAO; vakantie-uitkering

Onderwerp: - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007;
-           Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;

Feiten:

Verzoeker is sinds 01-08-1980 als betonwerker werkzaam bij verweerder met een bruto uurloon van €19,57 in 2015 (€20,04 in 2016). Verzoeker is in 2015 in totaal gedurende 26 weken gedeeltelijk werkloos geweest. De algemeen bindende bepalingen van het Bundesrahmentarifvertrages Bau (federale collectieve arbeidsovereenkomst voor de bouwsector, hierna: BRTV) zijn op het dienstverband van toepassing. Verzoeker heeft in 2015 en 2016 vakantie-uitkeringen ontvangen gebaseerd op een uurloon van €10,96 in 2015 (en €11,76 in 2016). §8 BRTV heeft tot gevolg dat aanzienlijk minder vakantie-uitkering wordt betaald in geval van gedeeltelijke werkloosheid en dat het loondervingsbeginsel niet wordt nageleefd. Verzoeker stelt dat de perioden van gedeeltelijke werkloosheid niet tot gevolg mogen hebben dat hij minder recht op vakantie-uitkeringen heeft. Verzoeker heeft verzocht verweerder te veroordelen €2.670,27 bruto te betalen, vermeerderd met rente. Verweerder heeft verzocht de vordering af te wijzen. Verweerder stelt dat §8 BRTV onder de wettelijke afwijkingsclausule van §13 Mindesturlaubsgesetzes für Arbeitnehmer (federale wet inzake de minimumduur van de vakantie voor werknemers, hierna: BUrlG) valt. Deze wettelijke regeling en de hierop gebaseerde collectieve arbeidsovereenkomst zouden in overeenstemming zijn met het Unierecht.

Overweging:

Indien het Unierecht in de weg staat aan een nationale regeling of een collectieve arbeidsovereenkomst waarbij loonkortingen – tijdens de berekeningsperiode (referentietijdvak) ten gevolge van gedeeltelijke werkloosheid – de berekening van de vakantie-uitkering beïnvloeden, dan heeft verweerster de vakantie-uitkering waarop verzoeker recht heeft, berekend op basis van een te laag uurloon. De aanspraak waarop de vordering van verzoeker betrekking heeft, dient volgens de verwijzende rechter minstens deels te worden toegewezen indien het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend beantwoordt. De eerste prejudiciële vraag is relevant voor de beslechting van het hoofdgeding aangezien het enkel van dit antwoord afhangt of de vordering, minstens gedeeltelijk, moet worden toegewezen.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden bepaald dat loonkortingen die in de berekeningsperiode [Or. 2] worden toegepast ten gevolge van gedeeltelijke werkloosheid, de berekening van de vakantie-uitkering zodanig beïnvloeden dat de vakantievergoeding die de werknemer voor de duur van de jaarlijkse vakantie van minstens vier weken ontvangt of de vergoeding die hij bij beëindiging van het dienstverband ontvangt voor de niet opgenomen vakantiedagen, lager is dan de uitkering of de vergoeding die hij zou hebben ontvangen wanneer de berekening van de vakantievergoeding gebaseerd was op het gemiddelde arbeidsloon dat de werknemer in de berekeningsperiode zonder dergelijke loonkortingen had ontvangen? Zo ja, hoeveel mag een bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde en krachtens de nationale wettelijke regeling toegestane vermindering van de vakantievergoeding wegens gedeeltelijke werkloosheid tijdens de berekeningsperiode, ten opzichte van het ongekorte gemiddelde arbeidsloon van de werknemer procentsgewijs maximaal bedragen, zodat de uitlegging van deze nationale regeling in overeenstemming met het recht van de Unie kan worden geacht?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: Vereisen het algemene unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht dat de mogelijkheid om zich te beroepen op de door het Hof in het kader van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te geven uitlegging van artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, ten aanzien van alle betrokken partijen wordt beperkt in de tijd, op grond dat de hoogste nationale rechter voordien heeft geoordeeld dat de toepasselijke nationale wettelijke bepalingen en bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten niet in overeenstemming met het recht van de Unie kunnen worden uitgelegd? Indien het Hof deze vraag ontkennend beantwoordt: Is het verenigbaar met het Unierecht dat de nationale rechterlijke instanties op basis van het nationale recht de werkgevers, die erop vertrouwden dat de hoogste nationale rechterlijke instantie haar rechtspraak niet zou wijzigen, de bescherming van het gewettigd vertrouwen bieden, of kan uitsluitend het Hof bescherming van het gewettigd vertrouwen bieden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Heimann en Toltschin C-229/11 en C-230/11; Bidar C-203/03; Cobelfret C-138/07; Robinson-Steele C-131/04; Lock C-539/12; Schultz-Hoff C-350/06; Williams C-155/10.

Specifiek beleidsterrein: SZW