C-39/17 Lubrizol France

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   14 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       28 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   28 april 2017

Trefwoorden: vrij verkeer goederen; sociale solidariteitsbijdrage

Onderwerp: VWEU artikel 28 (vrij goederenverkeer); artikel 30 (douaneunie);

Verzoekster heeft van verweerster (nationale kas voor de sociale zekerheid van zelfstandigen) een naheffing gekregen voor haar bijdrage sociale solidariteitsbijdrage voor vennootschappen (C3S) over 2008. Zij betwist deze naheffing voor de Hof van beroep Rouen op grond dat in de grondslag voor de berekening van de te betalen bijdragen de waarde is meegerekend van voorraden die naar verschillende EULS zijn overgebracht, dat haar bij uitspraak van 15-09-2015 in het ongelijk stelt. Verzoekster gaat daarop in cassatie bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende FRA cassatierechter stelt verzoekster dat elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, ongeacht de benaming of de structuur ervan, die over nationale of buitenlandse goederen wordt geheven wegens het feit dat zij een grens van een LS overschrijden, verboden is. Het betreft een verboden heffing vn gelijke werking aangezien in de grondslag ervan intracommunautaire overbrengingen van voorraden zijn begrepen die geen omzet genereren. (schending van het beginsel van vrij verkeer van goederen binnen de EU). Zij bestrijdt verweersters zienswijze dat de bijdrage ‘het karakter van een sociale bijdrage’ heeft en niet is geheven over de producten zelf, maar aan de ondernemingen is opgelegd op basis van de totale omzet. Verweerster heeft immers aangegeven dat de bedragen die overeenstemden met de intracommunautaire overbrengingen vanuit FRA in de totale omzet waren begrepen, waaruit volgt dat dit goederenverkeer enkel en alleen is belast omdat het de grens heeft overschreden.

De verwijzende rechter stelt vast dat de C3S-bijdrage, zoals geregeld in de Wet sociale zekerheid, sinds begin 1970 is ingevoerd ten behoeve van het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering voor niet in de landbouw werkzame zelfstandigen en van de stelsels van ouderdomsverzekering voor ambachtelijke, industriële, commerciële en vrije beroepen. Verweerster is aangewezen de bijdragen te innen. De regeling voorziet in een (onder)drempelbedrag. De heffingsgrondslag (in 2008) betrof de aangegeven totale omzet vóór belastingen. Sinds 2004 wordt een aanvullende heffing berekend volgens dezelfde regels. De C3S en de aanvullende bijdrage vormen belastingen van diverse aard in de zin van de FRA Gw. Overeenkomstig btw-richtlijn 2006/112/EG stelt de FRA belastingwet de overbrenging voor bedrijfsdoeleinden door of voor rekening van een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere EULS gelijk aan een aan de btw onderworpen levering van goederen, onder voorbehoud van bepaalde uitzonderingen die geen verband houden met het onderhavige geschil. Dit geldt niet voor binnenlandse overbrenging of overbrenging naar een niet-EULS. Het Hof van Cassatie heeft eerder geoordeeld dat overbrenging vanuit FRA naar een andere EULS wel deel uitmaakt van de heffingsgrondslag voor C3S. Gezien de kritiek daarop van verzoekster is het zaak te vragen of de FRA regeling verenigbaar is met EUrecht. Hij legt het HvJEU de volgende vraag voor:

“Staan de artikelen 28 en 30 VWEU eraan in de weg dat de waarde van de goederen die door of voor rekening van een onderneming die de aan vennootschappen opgelegde sociale solidariteitsbijdrage en de aanvullende bijdrage verschuldigd is, voor bedrijfsdoeleinden vanuit Frankrijk naar een andere lidstaat van de Europese Unie worden overgebracht, in aanmerking wordt genomen ter bepaling van de totale omzet die de grondslag voor de berekening van die bijdragen vormt?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ, FIN

Gerelateerde documenten