C-396/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    24 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    10 oktober 2017

Trefwoorden: arbeidsrecht, ambtenaren, discriminatie

Onderwerp: - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
-           Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;
-           Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie;
-           VWEU.

Feiten:

Verzoeker heeft op 27-01-2015 onder verwijzing naar het arrest van het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter Oostenrijk) van 04-09-2012, schriftelijk verzocht om de vaststelling van een nieuwe peildatum voor de indeling in een hogere salaristrap respectievelijk de vaststelling van de daaruit voortvloeiende bezoldigingsrechtelijke positie, alsmede om, in ieder geval, nabetaling van salaris, [en subsidiair] om het niet-verlengen van zijn inschaling in de eerste salaristrap van twee tot vijf jaar, en eventuele nabetaling van salaris. Bij beslissing van 30-04-2015 werd dit verzoek door verweerder (Landespolizeidirektion Tirol) op grond van de Oostenrijkse bezoldigingswet ongegrond verklaard; op grond dat de wetgever alle bestaande bepalingen betreffende de peildatum voor de inschaling in een hogere salaristrap met de federale wet tot hervorming van het bezoldigingsstelsel (hierna: bezoldigingswet 2015) had ingetrokken en in de overgangsbepaling had bepaald dat ook de desbetreffende, tot dan toe geldende bepalingen niet langer van toepassing waren in lopende en toekomstige procedures, zodat de rechtsgrondslag voor het verzoek in casu was komen te vervallen. Verzoeker stelde beroep in tegen deze beslissing bij de federale bestuursrechter in eerste aanleg, op grond dat de bezoldigingswet van 2015 voorziet in een overgang naar het nieuwe systeem op basis van de laatste inschaling in het kader van het oude systeem. De aangevochten beslissing werd bij arrest van 07-11-2016 nietig verklaard op grond dat verweerder de zaak ten gronde had moeten behandelen. Bij de thans bestreden beslissing wees verweerder het door verzoeker ingediende verzoek af. Bij memorie van 08-02-2017 heeft verzoeker via zijn advocaat beroep ingesteld tegen deze beslissing. In het verzoekschrift wordt in wezen aangevoerd dat verweerder de bestreden beslissing inhoudelijk onrechtmatig heeft vastgesteld, aangezien zij niet ambtshalve heeft onderzocht of de nationale rechtsorde verenigbaar is met het Unierecht.

Overweging:

Het onderhavige prejudiciële verzoek strekt tot beantwoording van de vraag of met terugwerkende kracht bij wetsbesluit kan worden bepaald dat tijdvakken die in het kader van een discriminerende regeling daadwerkelijk zijn vervuld, niet-discriminerend en in dit opzicht niet voor toetsing vatbaar zijn. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest Schmitzer vindt het onderhavige prejudiciële verzoek zijn oorsprong in de rechtssituatie na de bezoldigingswet van 2015 en de wet aanpassing bezoldigingsrecht van 2016, volgens welke voor de inschaling als ambtenaar, de aard van bepaalde voor de indiensttreding vervulde tijdvakken, en niet de leeftijd waarop deze zijn vervuld, relevant is. De verwijzende rechter kan  niet van een acte clair uitgaan. Hier is in het bijzonder de vraag of naast de met het Unierecht strijdige bepalingen van de federale wetten ook de bij wet aanpassing bezoldigingsrecht ingevoerde bepalingen door het Unierecht terzijde worden geschoven.

Prejudiciële vragen:

1.1. Moet het Unierecht, meer bepaald de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78/EG, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die, met het oog op de beëindiging van discriminatie van reeds in dienst zijnde ambtenaren, voorziet in een overgangsregeling waarbij het bestaande systeem van hogere inschaling op tweejaarlijkse basis door middel van een „overgangsbedrag”, dat weliswaar in geld wordt uitgedrukt, maar een bepaalde, duidelijk omschreven inschaling inhoudt, wordt omgezet in een nieuw (op zichzelf voor nieuw in dienst tredende ambtenaren niet discriminerend) systeem van hogere inschaling op tweejaarlijkse basis, waardoor de discriminatie op grond van leeftijd onder reeds in dienst zijnde ambtenaren onverminderd voortduurt?

1.2. Moet het Unierecht, meer bepaald artikel 17 van richtlijn 2000/78/EG en artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die verbiedt dat reeds in dienst zijnde ambtenaren zich overeenkomstig de uitlegging van artikel 9 en 16 van richtlijn 2000/78 door het Hof van Justitie van de Europese Unie [Or. 2] in zijn arrest Schmitzer van 11 november 2014 (C-530/13) kunnen beroepen op artikel 2 van richtlijn 2000/78 om hun bezoldigingsrechtelijke positie van vóór de overgang naar het nieuwe systeem te laten vaststellen, doordat de betrokken rechtsgrondslagen met terugwerkende kracht vanaf de inwerkingtreding van de vroegere eraan ten grondslag liggende wet buiten

toepassing worden verklaard en doordat inzonderheid wordt uitgesloten dat vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar vervulde, aan de dienstbetrekking voorafgaande tijdvakken in aanmerking kunnen worden genomen?

1.3. Indien vraag 1.2 bevestigend wordt beantwoord: Volgt uit de in het arrest van 22 november 2005 in de zaak Mangold (C-144/04) en andere arresten gepostuleerde voorrang van het Unierecht dat de met terugwerkende kracht buiten toepassing verklaarde bepalingen voor wat betreft reeds in dienst zijnde ambtenaren in de periode vóór datum van de overgang naar het nieuwe systeem nog wel moeten worden toegepast, zodat deze ambtenaren zonder hen te discrimineren binnen het oude systeem kunnen worden ingeschaald en dus zonder discriminatie in het nieuwe bezoldigingssysteem kunnen worden opgenomen?

1.4. Moet het Unierecht, meer bepaald de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die bestaande discriminatie op grond van leeftijd (met betrekking tot de inaanmerkingneming van tijdvakken voorafgaand aan de dienstbetrekking) slechts declaratief wegneemt doordat zij bepaalt dat de tijdvakken die in het kader van een discriminerende regeling daadwerkelijk zijn vervuld, met terugwerkende kracht niet meer als discriminerend worden beschouwd, hoewel de discriminatie feitelijk onverminderd voortduurt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Hütter C-88/08; Schmitzer C-530/13; Starjakob C-417/13; Unland C-20/13; Hennigs en Mai C-297/10 en C-298/10; Specht e.a. C-501/12.

Specifiek beleidsterrein: BZK; SZW