C-404/17 A

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    25 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    11 oktober 2017

Trefwoorden: asiel; Schengen; internationale bescherming

Onderwerp: - Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.

Feiten:

Verzoeker (Servisch staatsburger) heeft op 12-03-2017 in Zweden een verzoek om internationale bescherming ingediend. Hij voerde aan tussen 2001 en 2003 slachtoffer te zijn geweest van bedreiging en geweld door de illegale militie UCMB. In 2003 deed hij aangifte tegen deze groep, hetgeen resulteerde in meerdere gerechtelijke procedures tegen verschillende leden van de groep. Hierdoor kwam hij in aanmerking voor getuigenbescherming tot en met juli 2012. In die periode werd hij op verschillende plaatsen in Servië ondergebracht, onder andere langere tijd in een gevangenis. Daar hij ontevreden was met zijn geïsoleerde leven, wilde hij niet langer als getuige worden beschermd maar zich in plaats daarvan verschuilen in zijn oorspronkelijke woonplaats. Hij is sindsdien telefonisch met de dood bedreigd en vreest voor zijn leven bij terugkeer in Servië. Hij heeft van deze bedreigingen geen aangifte gedaan omdat hij niet opnieuw in een getuigenbeschermingsprogramma wil worden opgenomen.

Verweerder (Migrationsverket) besloot het verzoek om een verblijfsvergunning en toekenning van de vluchtelingenstatus van verzoeker af te wijzen en beval diens terugkeer naar Servië. Tevens werd verzoeker een terugkeerverbod opgelegd voor een periode van twee jaar (Schengen). Verweerder stond op basis van informatie over het land van herkomst op het standpunt dat de Servische overheid doeltreffende bescherming biedt en in beginsel de autoriteiten van het land van oorsprong de bescherming moeten waarborgen tegen criminele handelingen waaraan verzoeker wordt blootgesteld. Verzoeker heeft beroep ingediend tegen het besluit van verweerder stellende dat de bescherming die de autoriteiten hem boden onvoldoende en inhumaan was. Hij is meerdere jaren in feite opgesloten geweest. Ondanks zijn bescherming is hij meermaals bedreigd door Servische autoriteiten. Onder de gerechtelijke autoriteiten in het land van herkomst heerst wijdverbreide corruptie. Ook zou hij niet vrijwillig afstand hebben gedaan van zijn status van beschermde getuige, maar is hij hiertoe gedwongen.

Overweging:

De migrationsdomstolen wenst met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing duidelijkheid te verkrijgen over de wijze waarop richtlijn 2013/32/EG (hierna: herziene richtlijn 2013/32) moet worden uitgelegd met betrekking tot de versnelde procedure ten aanzien van verzoeken die als kennelijk ongegrond moeten worden beschouwd.

Prejudiciële vragen:

Moet een verzoek waarin de door verzoeker verstrekte informatie wordt beoordeeld als betrouwbaar – en daarmee de grondslag vormt voor de behandeling van verzoek – maar niet als voldoende als grondslag voor een behoefte aan internationale bescherming omdat uit landeninformatie [over het land van oorsprong] blijkt dat de autoriteiten aanvaardbare bescherming bieden, als kennelijk ongegrond worden beschouwd in de zin van artikel 31, lid 8, van de herziene richtlijn 2013/32?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ-dmb
 

Gerelateerde documenten