C-412/17 Touring Tours und Travel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    25 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    11 oktober 2017

Trefwoorden: Schengen; private onderneming; grenscontrole

Onderwerp: - Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);
-           Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf;
-           Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf;
-           Besluit 2006/617/EG van de Raad van 24 juli 2006 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, met betrekking tot de bepalingen van het protocol voor zover deze onder deel III, titel IV, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen;
-           Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Schengenuitvoeringsovereenkomst);
-           Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985.

Feiten:

Verzoeker (Touring Tours und Travel) is een in Duitsland gevestigde autobusonderneming die ook actief is in het buitenland. De door verzoeker verzekerde diensten bestaan met name uit geregelde verbinden over de Duits-Nederlandse grens. Verweerder (Bondsrepubliek Duitsland) heeft vastgesteld dat verzoeker in grote getale vreemdelingen die niet in het bezit waren van de vereiste reisdocumenten, naar het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland heeft vervoerd. Bij beschikking van 18.11.2014 heeft verweerder het verzoeker verboden om vreemdelingen zonder paspoort of verblijfsvergunning naar Duitsland te vervoeren en heeft gedreigd voor elke overtreding daarvan een dwangsom van €1.000,- te zullen vorderen. Het door verzoeker tegen deze beschikking ingediende bezwaar werd afgewezen. Het daarop door haar bij de bestuursrechter in eerste aanleg ingestelde beroep werd toegewezen en de bestreden beschikking werd nietig verklaard. Verweerder heeft hier beroep tegen ingesteld bij de verwijzende rechter. 

Verweerder betoogt dat §63 AufenthG overeenstemt met de Schengengrenscode. De verlangde documentencontrole kan reeds daarom niet als een grenscontrole in de zin van de Schengengrenscode worden opgevat omdat daarvoor geen grensbewakingsambtenaren worden ingezet. Het gaat evenmin om een maatregel die hetzelfde effect heeft in de zin van de Schengengrenscode. Beoogd wordt niet om grensoverschrijdingen te controleren, maar wel om de naleving van de voorschriften betreffende de binnenkomst op het grondgebied te verzekeren. Verzoeker betwist dit. Verzoeker stelt dat §63 lid 2, eerste zin, AufenthG niet van toepassing is op vervoerders die actief zijn in het Schengengebied.

Overweging:

In deze context rijst de vraag of de voormelde bepalingen van het Unierecht zich verzetten tegen een nationale regeling van een lidstaat volgens welke autobusondernemingen de grensdocumenten van hun passagiers dienen te controleren voordat een binnengrens wordt overschreden. Het Hof heeft zich tot hiertoe alleen nog maar uitgesproken over overheidsmaatregelen die op het nationale grondgebied van een lidstaat, aan de grens of in het grensgebied, worden getroffen, maar niet over handelingen die vóór de grens worden verricht (C188/10, C-189/10 en C-278/12).

Prejudiciële vragen:

1. Staan artikel 67, lid 2, VWEU en de artikelen 22 en 23 van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) in de weg aan een nationale wettelijke regeling van een lidstaat die autobusondernemingen die geregelde diensten over Schengenbinnengrenzen heen verzekeren, in wezen de verplichting oplegt om de reistitels van hun passagiers te controleren voordat een binnengrens wordt overschreden, teneinde het vervoer van vreemdelingen zonder paspoort en verblijfsvergunning naar het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland tegen te gaan? Met name:

a) Betreft de algemene wettelijke verplichting dan wel de aan individuele autobusondernemingen opgelegde bestuurlijke verplichting om vreemdelingen niet zonder het vereiste paspoort of de vereiste verblijfsvergunning naar het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland te vervoeren, welke verplichting de autobusondernemingen enkel kunnen nakomen indien zij de grensdocumenten van alle passagiers controleren voordat de binnengrens wordt overschreden, een controle aan de binnengrenzen in de zin van artikel 22 van de Schengengrenscode of dient deze verplichting daarmee te worden gelijkgesteld?

b) Dient de oplegging van de sub 1 vermelde verplichting te worden getoetst aan artikel 23, onder a), van de Schengengrenscode, ofschoon de autobusondernemingen geen „politiebevoegdheid” in de zin van deze bepaling uitoefenen en de oplegging aan hen van deze controleverplichting hun formeel evenmin enig openbaar gezag verleent?

c) Indien het antwoord op vraag 1-b) bevestigend luidt: dienen de van de autobusondernemingen verlangde controles, gelet op de in artikel 23, onder a), tweede zin, van de Schengengrenscode neergelegde criteria, te worden beschouwd als een niet toegestane maatregel die hetzelfde effect heeft als grenscontroles?

d) Dient de oplegging van de sub 1 vermelde verplichting, voor zover deze betrekking heeft op autobusondernemingen die geregelde diensten verzekeren, te worden getoetst aan artikel 23, onder b), van de Schengengrenscode, op grond waarvan de bevoegdheid van vervoerders om veiligheidscontroles uit te oefenen in de havens of de luchthavens geen afbreuk doet aan de afwezigheid van grenstoezicht aan de binnengrenzen? Volgt daaruit dat controles in de zin van vraag 1 zelfs niet zijn toegestaan wanneer zij buiten de havens en de luchthavens worden verricht, indien zij geen veiligheidscontroles betreffen en niet eveneens worden verricht bij personen die binnen de lidstaat reizen?

2. Staan de artikelen 22 en 23 van de Schengengrenscode in de weg aan een nationale wettelijke regeling volgens welke, ter naleving van de voormelde verplichting, jegens een autobusonderneming een bevel tot nalaten en de oplegging van een dwangsom kan worden gelast, wanneer wegens het verzuim van controle ook vreemdelingen zonder paspoort en verblijfsvergunning naar het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland zijn vervoerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Melki en Abdeli C-188/10 en C-189/10; Adil C-278/12; Affum C-47/15.

Specifiek beleidsterrein: VenJ-dmb
 

Gerelateerde documenten