C-418/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    25 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    11 oktober 2017

Trefwoorden: luchtvaart; instapweigering; consumentenbescherming

Onderwerp: - verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening).

Feiten:

Verzoekers vorderen van verweerder (Sun Express Deutschland GmbH) betaling van compensatie overeenkomstig artikel 7 van de verordening vermeerderd met rente. Verzoekers hebben bij Beluga Reisen GmbH (hierna: reisorganisator) een vliegpakketreis geboekt. De door verweerder uitgevoerde heenvlucht zou op 14.05.2016 vertrekken. Op 11.05.2016 werden verzoekers door de reisorganisator in kennis gesteld van het feit dat de heenvlucht werd omgeboekt naar een andere vlucht. Verzoekers werden met deze andere vlucht vervoerd. De oorspronkelijk geboekte vlucht werd door verweerder volgens plan uitgevoerd. Verzoekers zijn van mening dat verweerder op grond van de verordening verplicht is tot betaling van compensatie ten bedrage van €400,- vermeerderd met rente. Verweerder heeft hierop geantwoord dat zij niet heeft geweigerd verzoekers te vervoeren en niet verantwoordelijk was voor de omboeking door de reisorganisator. Uit het oogpunt van de passagier, die niet met de omboeking heeft ingestemd, komt de omboeking neer op een weigering om hem met de geplande vlucht te vervoeren.

Overweging:

Of de vordering wordt toegewezen, is afhankelijk van de uitlegging van artikel 4, lid 3, van de verordening.
Voor zover de verwijzende rechter kan nagaan, zijn de prejudiciële vragen tot dusver niet beantwoord. Op het door het Bundesgerichtshof ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing van 7 oktober 2008, dat identieke prejudiciële vragen bevatte, hoefde het Hof niet te beslissen. Die zaak werd door het Hof onder zaaknummer C-525/08 behandeld en met de doorhaling ervan afgedaan.

Prejudiciële vragen:

Aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden overeenkomstig artikel 234 EG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91:
a) Valt de omboeking naar een andere vlucht een situatie binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004?

b) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Is deze bepaling ook van toepassing op een omboeking die niet uitgaat van de luchtvaartmaatschappij, maar alleen van de reisorganisator?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-525/08.

Specifiek beleidsterrein: VenJ, IenM