C-421/17 Polfarmex

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    05 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    22 oktober 2017

Trefwoorden: btw; eigendomsoverdracht; intrekking van aandelen

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Feiten:

In het bij Minister Finansów (thans: Szef Krajowej) ingediende verzoek om een ruling beschreef verzoekster (Polfarmex Spółka Akcyjna) een toekomstige gebeurtenis, waarbij zij verklaarde als aandelenvennootschap rechtspersoonlijkheid te bezitten en haar zetel in Polen te hebben. Een met verzoekster door kapitaaldeelneming en in organisatorisch opzicht verbonden besloten vennootschap (Spólka) hield 6.275.534 aandelen in verzoekster. Verzoekster gaf aan dat zij een reorganisatie van het concern overwoog door intrekking van een deel van de door de Spółka gehouden aandelen. De intrekking zou plaatsvinden op een van de in de wet geregelde wijzen (automatische, gedwongen of vrijwillige intrekking). Spółka zou voor de intrekking van verzoeksters aandelen een vergoeding ontvangen in de vorm van overdracht van de eigendom van terreinen met opstallen, inclusief de inventaris (vergoeding in natura). De waarde van deze vermogensbestanddelen zou overeenkomen met de waarde van de door de ingetrokken aandelen vertegenwoordigde netto activa, zoals opgevoerd in de jaarrekening over het laatste boekjaar, met aftrek van het voor uitkering aan de aandeelhouders bestemde bedrag. Volgens de vennootschap zou deze maatregel moeten worden beschouwd als één enkele complexe zakelijke transactie, bestaand in de intrekking van de aandelen enerzijds en de toekenning van de dienovereenkomstige vergoeding anderzijds. In civielrechtelijk opzicht is de eigendomsoverdracht als vergoeding voor de ingetrokken aandelen geen afzonderlijke rechtshandeling, maar dient zij alleen om het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot intrekking van de aandelen uit te voeren. Daarom is er geen reden om deze twee maatregelen voor fiscale doeleinden van elkaar te scheiden. De Minister Finansów heeft in de ruling vastgesteld dat de overdracht van de vermogensbestanddelen als tegenprestatie voor de intrekking van de aandelen een levering van goederen in de zin van artikel 7(1) van de wet op de omzetbelasting zou zijn, die krachtens artikel 5(1) punt 1 van deze wet aan de heffing van btw is onderworpen en door de vennootschap door het opmaken van een btw-factuur gedocumenteerd zou moeten worden. Met haar ingestelde beroep verzocht de vennootschap om vernietiging van de bestreden ruling; het gerecht in eerste aanleg achtte het beroep gegrond. De Minister Finansów heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Overweging:

De intrekking van aandelen komt niet voor in de door richtlijn 2006/112/EG beschreven catalogus van belastbare handelingen. Ook kan worden betwijfeld of dit een handeling onder bezwarende titel betreft, aangezien als gevolg van de intrekking van de aandelen zich bij de vennootschap geen vermogensgroei voordoet, omdat de aandelen worden doorgehaald en het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap wordt verminderd. Verder is het zo dat btw de eindverbruiker belast en niet de belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit een belastingplichtige handeling verricht. De uitkomst van de onderhavige zaak hangt af van het antwoord op de vraag of de omstandigheid dat de door de aandeelhouder ontvangen vergoeding voor de intrekking van de aandelen door de aandelenvennootschap niet in de vorm van een geldelijke prestatie, maar in natura wordt toegekend, tot gevolg heeft dat deze intrekking een economische activiteit van de vennootschap als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2006/112/EG is.

Prejudiciële vragen:

Is de overdracht van onroerend goed door een aandelenvennootschap aan een aandeelhouder als tegenprestatie voor de intrekking van zijn aandelen onderworpen aan de heffing van btw krachtens artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Armbrecht C-291/92.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal
 

Gerelateerde documenten