C-422/17 Skarpa Travel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    05 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    22 oktober 2017

Trefwoorden: btw-richtlijn; winstmargeregeling

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Feiten:

Verweerder (Skarpa Travel) had verzocht om afgifte van een ruling bij verzoeker (het Poolse Ministerie van Financiën). Verweerder is een reisbureau en verricht reisdiensten voor haar klanten. Verweerder heeft gevraagd op welk tijdstip zij de verschuldigdheid van de belasting in het geval van vooruitbetalingen dient te bepalen die zij ontvangt voor reisdiensten die later worden verricht en volgens de bijzondere winstmargeregeling overeenkomstig artikel 119 van de Poolse btw-wet zijn belast. Verweerder is van mening dat zij ná het verrichten van de betrokken reisdienst de daarvoor verschuldigde belasting hoeft af te dragen; op het moment dat de winstmarge die in casu de maatstaf van heffing is, kan worden bepaald. Verzoeker verklaarde in de ruling het standpunt van verweerder onjuist. Verweerder dient het belastingbedrag aan de hand van de ontvangen vooruitbetaling te berekenen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de winstmarge de maatstaf van heffing is. Verweerder kan in plaats van de berekening van de winstmarge waarbij rekening moet worden gehouden met alle daadwerkelijk gedragen kosten, de op grond van de te voorziene kosten berekende winstmarge toepassen die zij bij de bepaling van de prijs van de betreffende reis heeft berekend. Zodra dan met betrekking tot de concrete reis bekend is welke de werkelijke kosten voor de verkrijging van goederen en diensten van andere belastingplichtigen welke rechtstreeks ten goede komen aan de reiziger zijn, en indien het met inachtneming van deze kosten berekende winstmargebedrag afwijkt van de eerder berekende winstmarge, dan moet de vennootschap een belastingcorrectie uitvoeren. In het bij de rechter in eerste aanleg ingestelde beroep en in het verweer daarop hebben partijen hun eerder ingenomen standpunten in deze zaak gehandhaafd. De rechter in eerste aanleg stelt dat de belasting in geval van vooruitbetaling pas verschuldigd wordt op het moment van vaststelling van de winstmarge, aangezien de winstmarge wordt belast. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld tegen deze uitspraak en daarbij schending van bepalingen van materieel recht aangevoerd. Verzoeker is van mening dat deze opvatting niet kan worden gevolgd, aangezien alle andere vooruitbetalingen, afgezien van de in de wet genoemde uitzonderingen, worden belast op het moment van ontvangst ervan.

Overweging:

De btw-richtlijn bevat geen bijzondere bepalingen die de belastingheffing regelen op vooruitbetalingen op de prijs van reisdiensten die overeenkomstig de winstmargeregeling worden belast. In deze richtlijn is ook geen bepaling te vinden die toestaat dat wordt afgeweken van de verplichting tot afdracht van btw over een door een reisbureau ontvangen vooruitbetaling. Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag zouden evenwel nog niet alle in verband met de feiten van de onderhavige zaak bestaande twijfels zijn weggenomen. Indien de btw over de vooruitbetalingen voor de door reisbureaus te verrichten diensten overeenkomstig artikel 65 van de btw-richtlijn verschuldigd wordt, moet worden verduidelijkt of de belasting, zoals geregeld in deze bepaling, op basis van het bedrag van de vooruitbetaling moet worden berekend of dat bij de berekening daarvan de in artikel 308 van deze richtlijn opgenomen bijzondere wijze van bepaling van de maatstaf van heffing bij reisdiensten als onderdeel van een regeling moet worden meegenomen, die werd ingesteld om met de toepassing van de algemene bepalingen inzake de plaats van de belastingheffing, de maatstaf van heffing en de aftrek van voorbelasting praktische moeilijkheden voor reisbureaus te vermijden.

Prejudiciële vragen:

1. Dienen de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus te worden uitgelegd dat in het geval van vooruitbetalingen die een belastingplichtige heeft ontvangen bij het verrichten van reisdiensten waarvoor de bijzondere regeling voor reisbureaus overeenkomstig de artikelen 306 tot en met 310 van richtlijn 2006/112/EG geldt, de belasting verschuldigd wordt op het in artikel 65 van richtlijn 2006/112/EG bepaalde tijdstip?

2. Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: Dient artikel 65 van richtlijn 2006/112/EG aldus te worden uitgelegd dat een vooruitbetaling die een belastingplichtige heeft ontvangen bij het verrichten van reisdiensten waarvoor de bijzondere fiscale regeling voor reisbureaus overeenkomstig de artikelen 306 tot en met 310 van richtlijn 2006/112/EG geldt, voor belastingdoeleinden wordt verminderd met de in artikel 308 van richtlijn 2006/112/EG genoemde kosten die door de belastingplichtige werkelijk worden gedragen vóór ontvangst van de vooruitbetaling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kozak C-557/11; Madgett en Baldwin C-308/96 en C-94/97; Van Ginkel C-163/91; Lebara C-520/10; BUPA Hospitals en Goldsborough Developments C-419/02.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal
 

Gerelateerde documenten