C-432/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    31 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    17 oktober 2017

Trefwoorden: discriminatie; pensioenen; ambtenaren

Onderwerp:
-           Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid - Bijlage : Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid (hierna: de richtlijn);
-           Richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de uitbreiding tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van Richtlijn 97/81/EG betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid.

Feiten:

Verzoeker is een gepensioneerd advocaat die ook deeltijds het rechterlijk ambt van recorder (deeltijdrechter bij de rechtbank in strafzaken in eerste aanleg) bekleedde tussen 01.03.1978 en 31.03.2005, toen hij op de leeftijd van 65 met pensioen ging. Recorders kregen geen salaris, maar ontvingen dagvergoedingen. Er was niet voorzien in de uitkering van een magistratenpensioen bij hun pensionering. Verzoeker verzocht in juni 2005 verweerder (ministerie van Justitie) om uitkering van een ouderdomspensioen op dezelfde grondslag – pro rata temporis berekend – als het pensioen uitgekeerd aan voltijdrechters die waren benoemd voor dezelfde of een vergelijkbare taak. Verweerder deelde hem mee dat hij niet in een van de categorieën van magistraten viel die recht hadden op een magistratenpensioen.

In september 2005 leidde verzoeker een procedure in bij de arbeidsrechter in eerste aanleg, waarin hij stelde recht te hebben op een magistratenpensioen op grond van de richtlijn en de regeling waarbij de richtlijn in nationaal recht was omgezet. Naar aanleiding van het arrest in de zaak C-393/10 heeft de Supreme Court geoordeeld dat verzoeker recht had op een pensioen onder vergelijkbare voorwaarden als een circuit judge (vergelijkbare voltijdrechter). De zaak werd terugverwezen naar de arbeidsrechter in eerste aanleg voor bepaling van het bedrag van het pensioen waarop verzoeker recht had. Daar rees de vraag of bij berekening van zijn pensioen rekening moest worden gehouden met zijn volledige diensttijd of enkel met de diensttijd vervuld sinds de uiterste termijn voor uitvoering van de richtlijn (minder dan 5 jaar). De arbeidsrechter in eerste aanleg was van oordeel dat zijn volledige diensttijd in aanmerking moest worden genomen. De arbeidsrechter in tweede aanleg oordeelde in omgekeerde zin. De rechter in derde aanleg bevestigde de beslissing van de arbeidsrechter in tweede aanleg. Verzoeker stelt thans hogere voorziening in bij de Supreme Court.

Overweging:

Het Hof heeft zich nog niet uitgesproken over de stelling dat indien een beroepspensioen, in de lijn van C-109/91, wordt beschouwd als een uitgestelde beloning en het recht daarop ontstaat op het ogenblik dat de arbeid wordt verricht waarop deze beloning betrekking heeft, uit het algemeen verbod op retroactieve werking voortvloeit dat de richtlijn rechten die zijn verworven (of in het geval van O’Brien, niet zijn verworven) vóór de inwerkingtreding van de richtlijn, niet wijzigt of beïnvloedt, aangezien de richtlijn geen bepaling bevat die van dit algemene verbod afwijkt. Een meerderheid van de leden van de
verwijzende instantie is weliswaar van oordeel dat C-109/91 betrekking had op de uitzonderlijke beperking van het arrest C-262/88, die in het onderhavige geding niet aan de orde is, maar de juiste benadering is geen acte clair in de ogen van de Supreme Court.

Prejudiciële vraag:

Vereist richtlijn 97/81, en in het bijzonder clausule 4 van de raamovereenkomst in de bijlage daarbij, betreffende het beginsel van non-discriminatie, dat diensttijdvakken die zijn vervuld vóór de uiterste termijn van uitvoering van de richtlijn, in aanmerking worden genomen bij de berekening van het bedrag van het ouderdomspensioen van een deeltijdwerker indien ze in aanmerking worden genomen bij de berekening van het pensioen van een vergelijkbare voltijdwerker?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: O’Brien C-393/10; Ten Oever C-109/91; Barber C-262/88; Bruno e.a. C-395/08 en C-396/08; Commissie/Moravia Gas Storage C-596/13P.

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZK