C-434/17 Human Operator

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    07 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    24 oktober 2017

Trefwoorden: btw-richtlijn; terugwerkende kracht; uitvoeringsbesluit

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;
-           Artikel 288 e.v. VWEU;
-           Uitvoeringsbesluit (EU) nr. 2015/2349 van de Raad van 10 december 2015 waarbij Hongarije wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 193 van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Feiten:

Verzoekster (Human Operator) is een in Hongarije gevestigde handelsvennootschap, met als voornaamste activiteit het verlenen van diensten in personeelsvoorziening. Verweerder (belastingautoriteit in eerste aanleg) heeft bij verzoekster een belastingcontrole - achteraf - uitgevoerd van de aangiften omzetbelasting over januari 2015. Naar aanleiding van deze controle heeft verweerder bij beslissing van 22.08.2016 vastgesteld dat er tussen het bedrag van de betaalde en verschuldigde btw een verschil bestond ten belope van 46.065.000 HUF. Verweerder heeft verzoekster veroordeeld tot betaling van dat verschil en heeft haar tevens een fiscale boete, een vertragingstoeslag en een verzuimboete op basis van andere feiten en rechtsgrondslagen opgelegd. Verweerder stelt dat volgens §142(1)c van de Hongaarse btw-wet in het geval van diensten betreffende tijdelijk werk, de belasting dient te worden betaald door de verkrijger van het goed of de ontvanger van de dienst, en is in casu aan die voorwaarden voldaan. Hongarije is krachtens uitvoeringsbesluit 2015/2349 gemachtigd om belasting te heffen volgens de verleggingsregeling, en aangezien zijn verzoek om machtiging tot het instellen van een afwijkende maatregel daarop was gericht en ook artikel 294(1) van de btw-wet dit bepaalt, dient de regel in het geval van verzoekster te worden toegepast vanaf 01.01.2015. De directie beroepen van de nationale belasting- en douanedienst heeft bij beslissing van 25.01.2017 de eerdergenoemde beslissing bevestigd. Bij deze bevestigende beslissing zijn meerdere beslissingen van de belastingautoriteit in eerste aanleg, waarbij op dezelfde rechtsgronden als hierboven uiteengezet, samen met andere sancties, btw-belastingverschillen definitief geworden (totaal: 387.705.000 HUF over de maanden februari – juli 2015).

In haar verzoekschrift heeft verzoekster verzocht om juridische herziening van deze definitieve beslissingen van de belastingautoriteit. Verzoekster stelt dat Hongarije uitvoeringsbesluit 2015/2349 niet kon toepassen vóórdat deze lidstaat van de vaststelling ervan in kennis was gesteld, dat wil zeggen dat dat besluit gedurende het gehele litigieuze tijdvak niet van toepassing was. Verzoekster stelt voorts dat, anderzijds, datzelfde besluit geen terugwerkende kracht heeft en dat de algemene bepalingen inzake de inwerkingtreding een dergelijke kracht niet toestaan.

Overeenkomstig de stukkenwisseling, wenste Hongarije de machtiging te verkrijgen voor een tijdvak van drie jaar, en wel vanaf 01.01.2015, hetgeen Hongarije de Commissie in juni 2015 heeft meegedeeld. Anderzijds bevindt zich in het dossier een door verzoekster verstrekt schrijven van de Europese Commissie van 06.04.2016, waarin verzoekster werd meegedeeld dat uitvoeringsbesluit 2015/2349 niet met terugwerkende kracht van toepassing is.

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat het voor de beslechting van het geding noodzakelijk is om de bepalingen van uitvoeringsbesluit 2015/2349 uit te leggen, alsmede om opheldering te verkrijgen over de vraag hoe, onder de bovengenoemde omstandigheden, het feit moet worden geïnterpreteerd dat dat uitvoeringsbesluit niet bepaalt vanaf welke datum het in werking treedt, noch vanaf welke datum het van toepassing is, en of het ontbreken van deze bepaling de aanvaarding inhoudt van het verzoek voor wat betreft de eerdergenoemde aanvangsdatum van de toepassing, of dat, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling, ondanks de inhoud van het verzoek, toepassing met terugwerkende kracht niet mogelijk is.

Prejudiciële vragen:

Dient uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2349 van de Raad van 10 december 2015 aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de Hongaarse praktijk volgens welke de bepaling van nationaal recht die krachtens de in voornoemd uitvoeringsbesluit verleende machtiging voorziet in een afwijking van artikel 193 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad, vanaf 1 januari 2015 in werking is getreden en vanaf laatstgenoemde datum moet worden toegepast, hoewel het genoemde uitvoeringsbesluit geen bepaling inzake terugwerkende kracht of toepasbaarheid bevat, doch Hongarije in zijn verzoek om machtiging om te voorzien in een afwijking, deze datum wel als aanvangsdatum van de toepassing heeft aangegeven?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal
 

Gerelateerde documenten