C-435/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    01 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    18 oktober 2017

Trefwoorden: milieu; landbouw; steunregeling; monumenten

Onderwerp: - Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad;
-           Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;
-           Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden.

Feiten:

Verzoeker verzocht in 2016 om een enkele areaalbetaling en een betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken. Verweerder (dienst voor landbouwkundige registratie en informatie) heeft op 02.11.2016 een controle ter plaatse in het bedrijf van verzoeker uitgevoerd. Op 24.11.2016 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij het besluit van de minister van Landbouw van 14.01.2015, ‘Verplichtingen met betrekking tot het behoud van land in een goede landbouw- en milieuconditie’ (hierna: ministerieel besluit), had geschonden en dat daarom de aangevraagde betaling met drie procent werd verlaagd. Verzoeker heeft op 30.11.2016 bezwaar gemaakt bij verweerder en betoogde daarbij dat hij de desbetreffende verplichting niet had geschonden, aangezien het steengraf in de natuur niet was aangeduid en zich niet op de landbouwgrond, maar aan de rand van het land bevond. Verweerder heeft op 07.12.2016 verzoeker geantwoord en heeft uiteengezet dat de verplichtingen ook dienen te worden nagekomen op het deel van het land dat buiten de grenzen van de akkers ligt en waarvoor geen betaling wordt aangevraagd (artikel 72 van verordening 1306/2013). Bij beschikkingen van 15.12.2016 heeft verweerder de enkele areaalbetaling en de betalingen voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken aan verzoeker gedeeltelijk toegekend (de toegekende betaling werd met drie procent verlaagd). Verzoeker diende bezwaar in op 17.01.2017 bij verweerder waarmee hij vernietiging vorderde van de beschikkingen van 15.12.2016 voor zover de uit te keren betaling met 3 procent werd verlaagd. Bij beschikking van 20.02.2017 heeft verweerder het bezwaar afgewezen. Verzoeker heeft op 23.02.2017 beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikkingen van 15.12.2016 en 20.02.2017 en verzocht om betaling van de niet-gedane betalingen.

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht, en wel met betrekking tot de vraag of het doel van de hierboven vermelde Unieverordeningen is te waarborgen dat een landbouwer met zijn activiteiten geen steengraven als monumenten vernielt. Het hangt af van het antwoord op de vraag of de verwijzende rechter § 3 van het ministerieel besluit dient toe passen. Daarvan hangt dan weer de rechtmatigheid af van het opleggen van de administratieve sanctie. Onbetwist is dat verzoeker het land waarop zich het steengraf bevindt, niet als landbouwgrond heeft gebruikt, veeleer ligt het aan de rand van zijn land. Voor het land waarop het steengraf ligt, heeft verzoeker geen betaling aangevraagd. Uit de verordeningen (EU) nr. 1306/2013 en nr. 1307/2013 kan niet ondubbelzinnig worden afgeleid of de aanvrager de eisen met betrekking tot het milieu en een goede landbouwconditie van grond in heel zijn landbouwbedrijf (onder andere het land waarop zich monumenten bevinden) moet nakomen of slechts op het land waarvoor hij om een betaling heeft verzocht.

Prejudiciële vragen:

1) Is de eis tot behoud van steengraven, die een lidstaat oplegt aan diegene die om een enkele areaalbetaling alsmede een betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken verzoekt, en waarvan niet-nakoming leidt tot toepassing van de in artikel 39 van de gedelegeerde verordening nr. 640/2014 van de Commissie vastgestelde administratieve sanctie van een verlaging van de betalingen met drie procent, in overeenstemming met artikel 93, lid 1, en artikel 94 van verordening nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad alsook met de in bijlage II daarvan vastgestelde minimumnormen?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, dient degene die om een enkele areaalbetaling alsmede een betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken verzoekt zich – om te voorkomen dat een administratieve sanctie wordt toegepast – overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), artikel 91, leden 1 en 2, artikel 93, lid 1, en artikel 94 van verordening nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, alsook artikel 4, lid 1, onder b), c) en e), van verordening nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad te houden aan de eisen met betrekking tot de goede landbouw- en milieuconditie in heel zijn landbouwbedrijf, of slechts op de landbouwgrond waarvoor concreet om een betaling wordt verzocht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: IenM