C-437/17 Gemeinsamer Betriebsrat EurothermenResort Bad Schallerbach

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    04 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    21 oktober 2017

Trefwoorden: arbeidsrecht; discriminatie

Onderwerp:
-           Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie;
-           Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;
-           Artikel 45 VWEU.

Feiten:

Verzoeker (Gemeinsamer Betriebsrat) verzocht om: vaststelling dat alle werknemers die bij samentelling van in andere lidstaten van de Unie vervulde diensttijdvakken van meer dan vijf jaar 25 jaar in dienstverband hebben gewerkt, recht hebben op een zesde week vakantie zoals bedoeld in §2(1) UrlG. Ter ondersteuning van dit verzoek wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat eerdere diensttijd in andere lidstaten van de Unie ten hoogste voor vijf jaar in aanmerking wordt genomen, onverenigbaar is met het Unierecht. De litigieuze bepaling benadeelt migrerende werknemers in het bijzonder. De beloning

krachtens de UrlG verhindert dat het recht op vrij verkeer wordt uitgeoefend. Verweerster betoogt dat er geen sprake is van Unierechtelijke discriminatie of een beperking. In deze context gaat het niet om het in aanmerking nemen van de relevante beroepservaring voor de vaststelling van de salarisgroep, zodat eerdere rechtspraak van het Hof niet relevant is. Zonder de tijdsgrens in de UrlG zou een werknemer die in de loop van of na 24 dienstjaren van baan verandert, na een totaal van 25 dienstjaren recht op de zesde week vakantie hebben. In dat geval zou één werkgever de gezamenlijke lasten van die bijkomende week vakantie moeten dragen, wat indruist tegen een billijke verdeling van de lasten. De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek om een declaratoire beslissing afgewezen. Alle eerdere diensttijd bij verschillende werkgevers wordt gelijk behandeld, waardoor er geen sprake van discriminatie zou zijn. De rechter in tweede aanleg heeft deze beslissing bevestigd. Het zou niet uitgesloten zijn dat het verlies van de zesde week vakantie een werknemer ervan weerhoudt zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen. Deze beperking van het vrij verkeer van werknemers is gerechtvaardigd, de beschermingsdoelstelling om werknemers aan hun werkgever te binden kan een rechtvaardigingsgrond vormen. Tegen deze beslissing werd door verzoeker beroep in revision bij het Oberste Gerichtshof ingesteld, omdat de vraag of het plafond van vijf jaar verenigbaar is met het Unierecht nog niet is beantwoord.

Overweging:

De beslissing van het Oberste Gerichtshof is volgens het nationale recht niet vatbaar voor hoger beroep.
Volgens het Oberste Gerichtshof is er in casu geen sprake van een acte clair, zodat het aangewezen is het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

Prejudiciële vragen:

Moeten artikel 45 VWEU en artikel 7, lid 1, van verordening (EU) nr. 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding (§ 3, lid 2, punt 1, juncto § 3, lid 3, en § 2, lid 1, van de Urlaubsgesetz), op grond waarvan een werknemer die in totaal 25 dienstjaren heeft gewerkt, maar die niet bij dezelfde Oostenrijkse werkgever heeft vervuld, slechts recht heeft op vijf weken jaarlijkse vakantie, terwijl een werknemer die 25 dienstjaren bij dezelfde Oostenrijkse werkgever heeft vervuld, recht heeft op zes weken jaarlijkse vakantie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: SALK C-514/12; Hennings C-297/10; Hörnfeldt C-141/11; Köbler C-224/01; Marhold C-178/04.

Specifiek beleidsterrein: SZW
 

Gerelateerde documenten