C-449/17 A&G Fahrschul-Akademie

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    11 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    28 oktober 2017

Trefwoorden: btw; fiscaal; onderwijs

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);
-           Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (hierna: rijbewijs-richtlijn).

Feiten:

De centrale vraag is of de door verzoekster verrichte diensten op het gebied van rijonderricht, in het kader van het rijbewijs van de categorie B en C1, overeenkomstig artikel 132(1) onder i) en j) van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Verzoekster (A&G Fahrschul-Akademie) exploiteert een autorijschool in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht (GmbH). Op de door haar uitgereikte facturen werd de btw niet afzonderlijk vermeld. In het litigieuze jaar (2010) deed zij in eerste instantie aangifte van belastbare handelingen. Verweerder (de belastingdienst) handelde overeenkomstig de btw-aangifte. Bij schrijven van 22.12.2014 verzocht verzoekster om de btw te verlagen tot €0,-. Verweerder wees het verzoek af. Het bezwaarschrift en het beroep slaagden niet. Volgens de belastingrechter in eerste aanleg (hierna: FG) kan verzoekster zich niet met succes beroepen op artikel 132 (1) onder j) van de btw-richtlijn. De enkele prestatie van verzoekster bestaat in het geven van theoriecursussen en praktische rijlessen. Daarbij gaat het niet om school- of universitair onderwijs, omdat praktisch rijonderricht volgens de in 2010 geldende aanbeveling voor verkeerseducatie op school geen noodzakelijk of wenselijk onderdeel van het school- of universitair onderwijs vormt. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster beroep in Revision ingesteld. De normatieve doelstelling van het rijonderwijs is volgens haar de cursisten tot verantwoordelijke en voorzichtige verkeersdeelnemers op te leiden. De praktische rijlessen zijn daarvan slechts één aspect. Voorts komen volgens verzoekster de doelstellingen van het praktische rijonderricht en de verkeersveiligheidstraining van onder andere de ADAC met elkaar overeen. Volgens verzoekster is het in strijd met het neutraliteitsbeginsel wanneer vergelijkbare prestaties verschillend worden belast. Verzoekster vordert vernietiging van de beslissing van de FG en toewijzing van het beroep; verweerder vordert verwerping van het beroep in Revision.

Overweging:

De verwijzende rechter betwijfelt of verzoekster als organisatie met soortgelijke doeleinden in de zin van artikel 132 (1) onder i) van de btw-richtlijn is erkend. De verwijzende rechter vraagt zich voorts af of de rechtsvorm van verzoekster uitsluit dat er sprake kan zijn van lessen die ‘particulier door docenten’ worden gegeven in de zin van artikel 132 (1) onder j) van de btw-richtlijn. In de tot nu toe door het Hof beoordeelde gevallen betreffende het verstrekken van onderwijs door particuliere docenten was de belastingplichtige telkens een eenmanszaak (C-445/05 en C-473/08). Ook in taalkundig opzicht suggereert het begrip ‘docent’ dat het om een natuurlijke persoon gaat. In de btw-richtlijn wordt tenslotte niet gedefinieerd wat moet worden verstaan onder een docent die particulier lesgeeft.

Prejudiciële vragen:

1. Valt rijonderricht ter verkrijging van het rijbewijs B of C1 onder het begrip „school- of universitair onderwijs” van artikel 132, lid 1, onder i) en j), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde?

2. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, 4 kan de erkenning van verzoekster als organisatie met soortgelijke doeleinden in de zin van artikel 132, lid 1, onder i), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde worden afgeleid uit de regelingen ter zake van het rijinstructeursexamen, de verlening van de rijinstructeursbevoegdheid en de afgifte van de rijschoolvergunning in de Gesetz über das Fahrlehrerwesen van 25 augustus 1969 (Bundesgesetzblatt I 1969, 1336), laatstelijk gewijzigd bij wet van 28 november 2016 (Bundesgesetzblatt I 2016, 2722, Fahrlehrergesetz), alsmede uit het algemeen belang van het opleiden van rijschoolleerlingen tot veilige, verantwoordelijke en milieubewuste verkeersdeelnemers?

3. Indien de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, impliceert het begrip „particulier” van artikel 132, lid 1, onder j), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dat het bij de belastingplichtige om een eenmanszaak gaat?

4. Indien de tweede en de derde vraag ontkennend moeten worden beantwoord, geeft een docent „particulier” les in de zin van artikel 132, lid 1, onder j), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zodra hij voor eigen rekening en op eigen verantwoordelijkheid handelt, of gelden voor het criterium „particulier” nog andere vereisten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Almos Agrarkülkereskedelmi C-337/13; Eulitz C-473/08; Les Jardins de Jouvence C-335/14; MDDP C-319/12; Kingscrest Associates Ltd. En Montecello Ltd. C-498/03; Hoffmann C-144/00; Zimmermann C-174/11; Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. C-543/14; Commissie/Frankrijk C-492/08 ; Kügler C-141/00; Lajver C-263/15; Haderer C-445/05.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; OCW
 

Gerelateerde documenten