C-458/15 K.P.

Prejudiciële hofzaak

Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie, en zie rechts de verwijzingsbeschikking.

Termijnen: Motivering departement:    nvt
Schriftelijke opmerkingen:                    nvt

Trefwoorden: listing; terrorisme

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme;

Feiten:

Tegen verdachte is de verdenking gerezen dat hij afdelingshoofd is van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: LTTE) voor Saarland. Hij zou in ieder geval van 2007 tot en met 2009 voor deze organisatie - in strijd met de wet op de buitenlandse handel - geld dat de onder hem vallende leden van de organisatie hadden geïnd bij Tamils in ballingschap, hebben doorgezonden aan het ‘Tamil Coordination Committee’ (hierna: TCC) in Oberhausen, die het op zijn beurt naar de LTTE zond. In totaal heeft verdachte tussen 11.08.2007 en 27.11.2009 in 43 gevallen geld geïnd met een totaal van €69.385,- en dit overgedragen aan het TCC, waarbij hij wist en ook had bedoeld dat dit geld naar Sri Lanka werd gezonden en daar ter financiering van de doelen van de LTTE werd gebruikt. Verdachte was zich er daarbij van bewust dat de LTTE door de Europese Raad op de lijst van onder verordening 2580/2001 vallende verenigingen was geplaatst en dat er dus een embargo bestond en het inzamelen en doorsturen van geld naar Sri Lanka, net zoals elke andere financiële en materiële ondersteuning van de LTTE, derhalve strafbaar was. Verdachte heeft ter terechtzitting op 01.07.2015 verzocht dat het Hof zou worden gevraagd of het opnemen van LTTE op de voornoemde lijst ongeldig is en daardoor niet als grondslag kan dienen voor strafrechtelijke vervolging. De LTTE is voor het eerst bij besluit 2006/379/EG van de Raad van 29.05.2006 op die lijst geplaatst en is sindsdien in alle latere besluiten daarop vermeld. Verdachte beroept zich op het arrest van het Hof in C-550/09 waarin plaatsing van DHKP-C op de lijst gedeeltelijk ongeldig werd verklaard omdat de besluiten van de Raad, waarbij DHKP-C  op de lijst was geplaatst, niet voorzien waren van een motivering en omdat er ook geen rechtvaardiging was waarom de organisatie op de lijst geplaatst bleef.

Overweging:

De verwijzende rechter acht beantwoording van de prejudiciële vraag noodzakelijk om in de onderhavige zaak uitspraak te kunnen doen. Die beantwoording is relevant voor de beslissing, er bestaat geen op deze zaak toepasselijke of daarop van overeenkomstige toepassing zijnde rechtspraak van het Hof en de juiste toepassing van het Unierecht is niet dermate duidelijk dat voor redelijke twijfel geen ruimte blijft.

Prejudiciële vragen:

Is het opnemen van de Liberation Tigers of Tamil Eelam op de lijst als bedoeld in artikel 2(3) van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, voor het tijdvak van 11 augustus 2007 tot en met 27 november 2009, in het bijzonder op grond van de besluiten van de Raad van
–          28 juni 2007 (2007/445/EG),
–          20 december 2007 (2007/868/EG),
–          15 juli 2008 (2008/583/EG),
–          26 januari 2009 (2009/62/EG),
en van verordening (EG) nr. 501/2009 van 15 juni 2009, ongeldig?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-550/09; T-208/11 en T-508/11.

Specifiek beleidsterrein: VenJ; BZ; FIN
 

Gerelateerde documenten