C-461/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    27 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    13 november 2017

Trefwoorden: habitatrichtlijn; vogelrichtlijn;

Onderwerp:

-           Artikel 191 VWEU;
-           Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn);
-           Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: vogelrichtlijn);
-           Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, in de versie van 2011 (gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten);

Feiten:

In het kader van het door de Kilkenny County Council (hierna: opdrachtgever) vastgestelde plan om een ringweg rond de stad Kilkenny te bouwen, is er op basis van onderzoek dat tussen 2008 en 2012 is verricht een NIS (milieueffectverklaring voor Natura 2000-gebieden) opgesteld. De opdrachtgever heeft bij verweerder (An Bord Pleanála; de in Ierland bevoegde instantie om bouwvergunningen voor voorgestelde wegenbouwprojecten te verlenen) een aanvraag ingediend voor goedkeuring van een wegenbouwproject. Deze aanvraag betreft:

1.         de aanleg van een nieuwe weg en een brug, die de bouw van een beoogde volledige ringweg rond de stad Kilkenny dichterbij moeten brengen. Die ringweg moet onder meer de filevorming in het stadscentrum verminderen.

2.         De onteigening van het benodigde terrein. De voorgestelde weg loopt door een aantal beschermde natuurgebieden: een onder de vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone (hierna: SBZ), een krachtens de habitatrichtlijn voor de status van SBG in aanmerking komend gebied en een gebied waarvoor is voorgesteld het als nationaal erfgoed aan te merken.

Op 11.07.2014 heeft verweerder het bestreden besluit vastgesteld waarbij toestemming werd gegeven voor het voorgestelde wegenbouwproject en voor de vereiste onteigeningen. Verzoekers zijn bij de verwijzende rechter in beroep gegaan tegen het bestreden besluit en hebben gevorderd het besluit nietig te verklaren. Verzoekers stellen dat verweerder heeft nagelaten de milieueffecten van de onderzochte voornaamste alternatieven in haar overwegingen te betrekken, dat verweerder de passende beoordeling op ontoereikende wijze heeft uitgevoerd en dat verweerder het recht heeft geschonden door het voorgestelde project goed te keuren en de door de opdrachtgever ingediende NIS te accepteren, aangezien het bij haar voorliggende bewijs ontoereikend was. De verwijzende rechter verzoekt om een prejudiciële beslissing van het Hof over de uitlegging van artikel 6(3) (het begrip “passende beoordeling”) van de habitatrichtlijn en van artikel 5(3)d van richtlijn 2011/92 in de voor de onderhavige zaak relevante versie (“een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de Milieueffecten”). Artikel 5 van richtlijn 2011/92 is gewijzigd bij richtlijn 2014/52. De relevante bepaling, namelijk artikel 5(1)d, luidt nu “een beschrijving van de redelijke alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, die relevant zijn voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het project”.

Overweging:

De wijze waarop de NIS in de onderhavige zaak was opgesteld, werpt de vraag op of het volgens de habitatrichtlijn vereist is dat de potentiële gevolgen voor alle soorten die bijdragen aan en deel uitmaken van de beschermde habitat in een NIS worden vastgesteld en besproken en niet alleen de gevolgen voor beschermde soorten.

Aangaande eventuele onrechtmatige omissies in de passende beoordeling is het de vraag of het in overeenstemming is met de doelstellingen van de habitatrichtlijn dat over de details van de bouwfase (locatie bouwplaats en aanvoerroutes) pas een besluit wordt genomen nadat toestemming voor het project is verleend. Zo ja, of een bevoegde instantie mag toestaan dat de opdrachtgever daarover eenzijdig in de context van een willekeurige toegekende projectvergunning een besluit neemt dat alleen aan de bevoegde instantie ter kennis hoeft te worden gebracht en niet door haar hoeft te worden goedgekeurd. In de onderhavige zaak zullen de bouwdetails worden opgenomen in een uitvoeringsplan inzake het milieu, dat eenzijdig door de ontwikkelaar wordt opgesteld.

Volgens verweerder was de NIS een “gezaghebbend verslag” dat de gevolgen voor de aangewezen gebieden duidelijk weergaf. Het gehele besluit van verweerder en in het bijzonder de bespreking in het kader van de passende beoordeling bevat vele niet onderbouwde beweringen en een zeer summiere motivering. Het is de vraag of de bevoegde instantie volgens de habitatrichtlijn verplicht is om te motiveren of gedetailleerd te motiveren waarom zij een conclusie van haar inspecteur heeft verworpen waarin was aangegeven dat nadere informatie of wetenschappelijk onderzoek vereist was alvorens het project kon worden goedgekeurd

Prejudiciële vragen:
(a) Heeft richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals gewijzigd [de habitatrichtlijn] tot gevolg dat in een NIS alle habitats en soorten waarvoor het gebied als Natura 2000-gebied is aangewezen, moeten worden vastgesteld?

(b) Is het volgens de [habitatrichtlijn] vereist dat de potentiële gevolgen voor alle soorten die bijdragen aan en deel uitmaken van de beschermde habitat in een NIS worden vastgesteld en besproken en niet alleen de gevolgen voor beschermde soorten?

(c) Heeft [de habitatrichtlijn] tot gevolg dat een NIS uitdrukkelijk moet ingaan op de gevolgen die het voorgestelde project heeft voor zowel beschermde soorten en habitats binnen het SBG als voor soorten en habitats buiten dit gebied?

(d) Heeft Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd, tot gevolg dat een milieueffectrapport uitdrukkelijk moet ingaan op de vraag of het voorgestelde project significante gevolgen heeft voor de in deze beoordeling vastgestelde soorten?

(e) Valt een alternatief dat de opdrachtgever in de milieueffectbeoordeling in overweging genomen en besproken heeft en/of waarvoor sommige belanghebbenden hebben gepleit en/of dat de bevoegde instantie in overweging heeft genomen, onder de „voornaamste alternatieven” in de zin van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd, zelfs indien de opdrachtgever dit alternatief in een vroeg stadium heeft verworpen?

(f) Heeft richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd, tot gevolg dat een milieueffectbeoordeling voldoende informatie moet bevatten over de milieueffecten van alle alternatieven om de vanuit milieuoogpunt beschouwde wenselijkheid van de verschillende alternatieven te kunnen vergelijken; en/of dat in het milieueffectrapport expliciet moet worden aangegeven hoe de milieueffecten van de alternatieven in aanmerking zijn genomen?

(g) Is het voorschrift in artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd, dat de opdrachtgever zijn keuze „met inachtneming van de milieueffecten” moet hebben gemotiveerd, alleen van toepassing op het gekozen alternatief of ook op de onderzochte voornaamste alternatieven, zodat de milieueffecten van deze alternatieven bestudeerd moeten worden?

(h) Is het in overeenstemming met de doelstellingen van [de habitatrichtlijn] dat over de details van de bouwfase (zoals de locatie van de bouwplaats en aanvoerroutes) pas een besluit wordt genomen nadat toestemming voor het project is verleend, en zo ja, mag een bevoegde instantie toestaan dat de opdrachtgever daarover eenzijdig in de context van een willekeurige toegekende projectvergunning een besluit neemt dat alleen aan de bevoegde instantie ter kennis hoeft te worden gebracht en niet door haar hoeft te worden goedgekeurd?

(i) Moet een bevoegde instantie volgens [de habitatrichtlijn] documenteren in hoeverre in aan haar voorgelegde wetenschappelijke adviezen wordt bepleit nadere informatie te vergaren alvorens een project goed te keuren, en wel op zodanig gedetailleerde en duidelijke wijze dat elke twijfel over de betekenis en de gevolgen van een dergelijk advies wordt weggenomen?

(j) Is de bevoegde instantie volgens [de habitatrichtlijn] verplicht om te motiveren of gedetailleerd te motiveren waarom zij een conclusie van haar inspecteur heeft verworpen, waarin was aangegeven dat nadere informatie of wetenschappelijk onderzoek vereist was alvorens een project kon worden goedgekeurd?

(k) Moet een bevoegde instantie die een passende beoordeling maakt volgens [de habitatrichtlijn] een gedetailleerde en nauwkeurige onderbouwing van elk onderdeel van haar besluit verschaffen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Leth C-420/11 (AG); Commissie/Griekenland C-518/04; Commissie/Ierland

C-183/05; Sweetman e.a. C-258/11; Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging C-127/02, Wells C-201/02.

Specifiek beleidsterrein: IenM