C-47/17 en C-48/17 X e.a.

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraken, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   27 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   13 mei 2017

Trefwoorden: asielaanvragen; verantwoordelijke lidstaat

Onderwerp: - Verordening (EU) nr.604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublinverordening);
- Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (procedurericbtlijn) .

Verzoeker in zaak C-47/17 is afkomstig uit Syrië. Hij heeft 24-01-2016 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Verweerder (Stas VenJ) heeft echter gegevens van Eurodac gekregen waaruit blijkt dat verzoeker op 22-01-2016 in DUI een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 24-03-2016 is aan DUI een verzoek om terugname van verzoeker gedaan dat 07-04-2016 is afgewezen. Een verzoek om heroverweging, ingediend op 14-04-2016 is tot dan toe onbeantwoord.

Verzoeker vraagt 29-08-2016 om zijn aanvraag alsnog in behandeling te nemen, uitgaande dat de DUI afwijzing definitief is. Hij is vanaf 14-11-2016 in honger- en dorststaking gegaan (tot 23-11) en stelt 17-11-2016 beroep in, met verzoek om opleggen dwangsom, wegens niet-tijdig besluiten op zijn op 24-01-2016 ingediende aanvraag. Ondertussen heeft verweerder het verzoek aan DUI op 14-12-2016 ingetrokken. Nu is de vraag of de beslistermijn voor verweerder op de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd inmiddels is verstreken. Verzoeker wijst met name op arrest C-394/12 waaruit zou volgen dat een van de doelstellingen van de DublinVo. is de vaststelling van een duidelijke en hanteerbare methode om snel te bepalen welke LS verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Op grond van Vw artikel 42.6 vangt de beslistermijn van zes maanden op het asielverzoek aan op het moment waarop overeenkomstig de DublinVo is vastgesteld dat NL verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Na weigering van DUIaut ligt de verantwoordelijkheid sinds 07-04-2016 bij NL en is de termijn op 07-10-2016 verstreken. Verzoeker wijst subsidiair op de inspanningsverplichting van artikel 5.2 UitvoeringsVo. hetgeen betekent dat de aangezochte LS niet behoeft te antwoorden. De beslistermijn zou door de heroverwegingstermijn opschuiven naar 28-10-2016. Verzoeker verwijt verweerder ‘stilzitten’. Verweerder stelt dat noch uit de DublinVo noch uit de uitvoeringsVo zou volgen dat sprake is van het overschrijden van een beslistermijn. DUI was gehouden om op het verzoek om heroverweging te reageren en pas ingeval dit zou hebben geleid tot claimaanvaarding, zou daarmee de termijn van zes maanden zijn aangevangen voor het effectueren van de overdracht.

De verwijzende rechter (Rb DEH) oordeelt dat uit het feit dat verzoeker inmiddels is opgenomen in de NL Algemene Asielprocedure niet tot gevolg heeft dat verzoeker geen procesbelang meer zou hebben of dat er geen noodzaak voor het stellen van prejudiciële vragen is aangezien de vraag over de (aanvang) beslistermijn nog niet is beantwoord. De rechter heeft kennis genomen van het arrest van de NL RvS van 10-05-2016 (zaak 201600125/1/V3) waarin de RvS ook verwijst naar Het Abdullahi-arrest (belang van snelle bepaling verantwoordelijke LS) en heeft besloten geen prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen omdat de behandelingstermijn niet als onredelijk lang werd beoordeeld, mede gezien het feit dat (zelfde) verweerder bij de aangeschreven LS had gerappelleerd. Maar de verwijzende rechter twijfelt of die houding in deze zaak gerechtvaardigd zou zijn waarbij hij wijst op de in de DublinVo. genoemde (soms korte en soms fatale) termijnen, ook voor de heroverwegingsprocedure. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

(1) Dient de aangezochte lidstaat, gelet op het doel, de inhoud en de strekking van de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn, binnen twee weken te reageren op het verzoek om heroverweging zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening?
(2) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, geldt dan, gelet op de laatste zin van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, de termijn van maximaal één maand zoals is aangegeven in artikel 20, eerste lid, onder b, van de Verordening 343/2003 (thans artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening)?
(3) Indien het antwoord op de eerste en tweede vraag ontkennend luidt, heeft de aangezochte lidstaat, vanwege het woord "beijvert" in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, een redelijke termijn om op het verzoek tot heroverweging te reageren?
(4) Indien inderdaad sprake is van een redelijke termijn waarbinnen de aangezochte lidstaat op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening op het heroverwegingsverzoek dient te reageren, is dan, zoals in het onderhavige geval, na verloop van ruim zes maanden nog wel sprake van een redelijke termijn? Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, wat heeft dan wel als redelijke termijn te gelden?
(5) Welke consequentie dient eraan te worden verbonden indien de aangezochte lidstaat niet binnen twee weken, een maand, dan wel een redelijke termijn, reageert op het verzoek om heroverweging? Is de verzoekende lidstaat dan verantwoordelijk voor de inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek van de vreemdeling of de aangezochte lidstaat?
(6) Indien ervan dient te worden uitgegaan dat de aangezochte lidstaat verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek vanwege het niet-tijdig reageren op het verzoek om heroverweging zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, binnen welke termijn dient de verzoekende lidstaat, in het onderhavige geval verweerder, dit dan aan de vreemdeling kenbaar te maken?

De vragen in beide zaken zijn gelijk. In C-48/17 is verzoeker afkomstig uit Eritrea. Hij heeft eerder een verzoek om internationale bescherming in ZWI gedaan. NL dient een terugnameverzoek in dat wordt geweigerd, en ZWI heeft vervolgens bij ITA een claimverzoek ingediend, waarmee ITA op 01-09-2015 fictief akkoord is gegaan en daarmee verantwoordelijk werd. Maar 30-11-2015 weigert ITA terugname. Op 26-01-2016 komt ITA op die beslissing terug. 19-04-2016 weigert verweerder verzoekers aanvraag om een verblijfsvergunning vanwege de ITA verantwoordelijkheid. Op 30-06-2016 is het onderzoek heropend om partijen in staat te stellen te reageren op arrest Ghezelbash (C-63/15) en de gronden die eiser dienaangaande ter zitting heeft aangevoerd.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-394/12 Abdullahi; C-63/15 Ghezelbash;

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB

Gerelateerde documenten