C-486/16 Bankia

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   17 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       3 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   3 juni 2017

Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke handelspraktijken; gezag van gewijsde

Onderwerp: richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

(Ook) deze zaak was eerder geschorst in afwachting van arrest in zaak C-421/14 Banco Primus SA. De verwijzende rechter heeft aangegeven na het arrest (van 26-01-2017) zijn verzoek voor wat betreft de tweede en derde vraag te willen handhaven. Verzoekende bank heeft 20-01-2006 een hypotheekleningovereenkomst verstrekt aan verweerders van € 140.000 voor de aanschaf van een voor hoofdverblijf dienende woning. In de overeenkomst is een beding opgenomen op grond waarvan de bank de verbintenis vervroegd kan opeisen indien leners in gebreke blijven. Op 18-10-2006 is de lening door partijen herzien (gesplitst in twee delen). Sinds 10-01-2012 lossen verweerders niets meer af op het ene deel, waarna verzoekster 02-04-2015 dit deel opeist en na niet-betaling van een aflossing op het andere deel werd ook die lening op 27-04-2015 opgeëist.

Verzoekster had al eerder (in 2014) geprobeerd de leningen te executeren maar na bezwaar van verweerders dat het beding van vervroegde opeising oneerlijk is, is die procedure opgeschort. Verzoekster is daartegen in hoger beroep gegaan maar de appelrechter bevestigde de beschikking: het bedrag van de niet-nakoming (circa € 160) was onvoldoende ernstig voor een dergelijke maatregel. De tweede poging van verzoekster volgt op 27-05-2016; de rechter weigert in eerste instantie 14-10-2015 verlof tot executie te verlenen vanwege de eerdere procedure. Verzoekster gaat tegen die beschikking in beroep. De appelrechter vernietigt 11-02-2016 de eerder gegeven beschikking omdat in de onderzochte situatie de grondslag voor de ingestelde executievordering verschilt van de grondslag die heeft geleid tot de opschorting van de hypothecaire executieprocedure voor de Rb Alicante. De betalingsachterstand is inmiddels opgelopen tot 38 termijnen; hij verwijst de zaak terug naar de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende SPA rechter (Rb Alicante) heeft verzoekster gewezen op de onherroepelijke uitspraak van de appelrechter maar de verwijzende rechter vraagt zich af of uit het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeit dat de lagere rechter niet gebonden is aan de beslissing van de hogere rechter wanneer die beslissing in strijd zou zijn met RL 93/13. Verzoekster meent dat de SPA regeling een nieuwe executieprocedure niet in de weg staat maar de rechter vraagt zich af of die regelgeving verenigbaar is met EUrecht. Daarnaast gaat het in casu met name om de (ontbrekende) ‘ernst’ van de niet-nakoming en het gezag van gewijsde van de eerdere beschikking. Hij stelt de volgende vragen aan het HvJEU:
(1. na arrest C-421/14 ingetrokken)
2. Is het in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten om verlof tot executie te verlenen op basis van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat oneerlijk is verklaard bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing die is gewezen in een eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde hypotheekleningovereenkomst, ook al zijn aan die eerdere rechterlijke beslissing naar nationaal recht geen positieve gevolgen van materieel gewijsde (cosa juzgada material) verbonden, maar is het op grond van het nationale recht onmogelijk een nieuwe executieprocedure in te leiden op basis van dezelfde executoriale titel?
3. Is het in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten dat – in een hypothecaire executieprocedure waarin de rechter in eerste aanleg heeft geweigerd verlof tot executie te verlenen omdat het verzoek daartoe was gebaseerd op een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat oneerlijk is verklaard in een andere, eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde titel, en waarin de weigering om verlof tot executie te verlenen ongedaan is gemaakt door de appelrechter, die de zaak naar de rechter in eerste aanleg heeft terugverwezen zodat in eerste aanleg verlof tot executie zou worden verleend –, de rechter in eerste aanleg gebonden is aan de beslissing in hoger beroep, of moet het nationale recht aldus worden uitgelegd dat de rechter in eerste aanleg niet gebonden is aan de beslissing in tweede aanleg wanneer er reeds een eerdere, onherroepelijke rechterlijke beslissing bestaat waarin het beding inzake vervroegde opeisbaarheid waarop het verlof tot executie is gebaseerd, nietig is verklaard, en hij het verzoek tot executie dan opnieuw niet-ontvankelijk moet verklaren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-49/14 Finanmadrid E.F.C.

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ